In
de Vlissingsche Courant van 1902 krant stond een artikel over een J. van
Wersch die niet in de Gemeenteraad mocht omdat hij geen Nederlander was.
Het enige dat bekend was, was dat hij J.C.H. van Wersch heette en in Simpelveld
woonde.
Het artikel:
Nederlanderschap
Blijkens een bij den Raad van State, afd. geschillen van bestuur, ingekomen
Kon. besluit, is gehandhaafd het besluit van Ged. Staten van Limburg tot
niet toelating van J.C.H. van Wersch, te Simpelveld als lid van den Raad
dier gemeente, omdat hij geboren is in Duitschland uit Nederlandsche ouders,
wel is waar het Nederlanderschap heeft verworven, maar deze nationaliteit
verloren heeft door zonder de vereischte Koninklijke toestemming te hebben
gevraagd en verkregen, als vrijwilliger dienst te nemen in het Duitsche
leger.
De belanghebbende had aangevoerd dat hij niet als
vrijwilliger in het Duitsche leger heeft dienst genomen, maar zijn dienst
als verplichte krijgsdienst is aan te merken, vermits hij meende, ook in
dat Rijk militieplichten te vervullen had, en daarom een haar vóór
den militieplichtigen leeftijd als vrijwilliger heeft dienst genomen met
het oog op daaraan verbonden voordeelen.
In het Kon. besluit wordt echter overwogen dat, al moge
de dienstneming geschied zijn door dwaling van appalant's ouders, die hem
ten onrechte als Pruisisch onderdaan zouden hebben beschouwd, zulks het
feit van de indiensttreding niet kan wegnemen. Voorts dat na de dienstneming
buiten 's Konings toestemming, appalant niet kan gerekend worden te zijn
Nederlander, welke zijne nationaliteit daarvóór dan ook moge
zijn geweest; dat hiertegen niet afdoet dat hij minderjarig was tijdens
zijn indiensttreding als vrijwilliger in Pruisischen krijgsdient, omdat
hij blijkens zijns aanneming als vrijwilliger tot die dienstneming met
toestemming zijner ouders volkomen bevoegd was; en dat leden van den Raad
eener gemeente alleen kunnen zijn die ingezetenen der gemeente, de
Nederlanders, en in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsrechten
zijn.
Vervolgens gaan zoeken bij de Raad van State. En het volgende gevonden:
Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden
Prinses van Oranje Nassau, enz., enz., enz.
Beschikkende op het beroep, ingesteld door J. C. H. van Wersch, te Simpeveld, tegen het besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg, dd. 16 October 1901, la. 7204/M., Ie afd., waarbij het besluit van den Gemeenteraad van Simpelveld, om hem niet als raadslid toe te laten, is gehandhaafd ;
Den Raad van State, Afdeeling voor de geschillen van bestuur, gehoord, advies van 27 December 1901, no. 250 ;
- dat Van Wersch van de uitspraak van Gedeputeerde Staten bij Ons in
beroep is gekomen, daarbij aanvoerende, dat onbetwist is, dat hij, als
geboren
uit Nederlandsche ouders, vóórdat hij in
vreemden krijgsdienst trad, Nederlander was (zie art. 5 Burgerlijk Wetboek,
dat ten tijde van appellants geboorte,
in 1842, van toepassing was), en alsnu door den Raad het
bewijs zal moeten worden geleverd, dat hij op den aangevoerden grond het
Nederlanderschap
heeft verloren; dat art. 10, no. 2 der wet van 28 Juli
1860 (Stbl. no. 44) en art. 9, 2, van het Burgerlijk Wetboek, wel bepaalden,
- dat men het Nederlandersch verliest door zich buiten toestemming
des Konings in vreemden krijgsdienst te begeven maar niet,
- dat men door het bloote feit van in vreemden krijgsdienst te zijn
geweest, ophoudt Nederlander te zijn;
- dat zijne ouders, die in 1842 sinds lang in Pruisen gevestigd waren,
hem als Pruisische onderdaan beschouwden; dat nog twee broeders van hem
ook als
dienstplichtig in het Pruisische leger in dienst zijn getreden;
- dat hij, meenende dienstplichtig te zijn, zich niet aan den dienst
heeft durven onttrekken;
- dat hij van de bevoegdheid, zijn dienst vrijwillig een jaar vroeger
aan te vangen, heeft gebruik gemaakt;
- dat die vrijwilligheid immers alléén het tijdstip der
dienstneming raakt, doch niet het dienstnemen zelf, en er noch van de zijde
zijner ouders, noch van zijn
kant eenige wil of bedoeling bestaan heeft, om buiten
noodzakelijkheid in vreemden krijgsdienst te doen gaan of te gaan;
- dat uit verschillende door appellant vermelde feiten blijkt, dat
de Pruisische Regeering zijn dienst eveneens als verplichten dienst heeft
aangemerkt;
- dat de verzoeker, toen hij in 1861 in dienst trad, minderjarig was,
en de driejarige diensttijd reeds in 1864, dus vóór zijne
meerderjarigheid, was afgeloopen;
- dat appellant na zijne vestiging in Nederland dadelijk aan de loting
voor de schutterij heeft deelgenomen en gedurende 34 jaar zijn kiesrecht
heeft uitgeoefend
en in alles als Nederlander behandeld is; weshalve appellant
— in zijn beroep gesteund door een wethouder en twee raadsleden, die het
appellatoir adres
met hem hebben onderteekend — Ons verzoekt, de beslissing van
Gedeputeerde Staten te vernietigen, mede te vernietigen het daarbij gehandhaafde
besluit van den Raad der gemeente Simpelveld, en dientengevolge
te bepalen,
- dat de verzoeker alsnog als lid van den raad der gemeente Simpelveld
worde toegelaten, of zoodanige andere of nadere beslissingen te nemen als
Wij
zullen vermeenen te behooren ;
Overwegende dat uit de overgelegde stukken, als twee brieven van den Königlich Preussische Regierungs-Präsident te Aken, dd. 20 en 27 Augustus 1901, eene Urlaubs Pass voor onbepaalden tijd, afgegeven den 25 September 1864 aan den nu appellant, door den overste en commandant van het 2e Rheinische Infanterie-Regement no. 28, blijkt, dat de appellant met toestemming van zijnen vader, in 1861 vrijwillig in dienst is getreden bij het Pruisische leger;
- dat appellant erkent, dat deze indiensttreding heeft plaats gehad
buiten toestemming van den Koning der Nederlanden;
- dat al moge die dienstneming, gelijk appellant beweert, geschied
zijn door dwaling van appellante ouders, die hem toen ter tijde ten onrechte
als Pruisisch
onderdaan zouden hebben beschouwd, zulks het feit van
de indiensttreding niet kan wegnemen ;
- dat volgens art 9 van het Burgerlijk Wetboek en art. 10 der wet van
28 Juli 1850 (Stbl. no. 44) — welke beide bepalingen in 1861 geldende waren
—
de staat van Nederlander wordt verloren door buiten des Konings
toestemming zich in vreemden krijgsdienst te begeven ;
- dat daarom na de dienstneming buiten 's Konings toestemming, de appellant
niet kan gerekend worden te zijn Nederlander, welke zijne nationaliteit
daarvoor dan ook moge zijn geweest ;
- dat hiertegen niet afdoet, gelijk appellant beweert, dat hij minderjarig
was, toen hij aldus zich vrijwillig in Pruisischen krijgsdienst begaf,
omdat hij blijkens
zijne aanneming als vrijwilliger tot die dienstneming, met toestemming
van zijnen vader, volkomen bevoegd was ;
- dat leden van den Raad eener gemeente alleen kunnen zijn die ingezetenen
der gemeente, die Nederlanders, en in het volle genot der burgerlijke en
burgerschapsrechten zijn ;
- dat dus te recht de Raad der gemeente Simpelveld den appellant niet
als lid van dien Raad heeft toegelaten, en dus evenzeer te recht Gedeputeerde
Staten van de provincie Limburg dit besluit van niet-toelating
hebben gehandhaafd ;
Hebben goedgevonden en verstaan : het ingestelde beroep ongegrond te verklaren.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State, Afdeeling voor de geschillen van bestuur.
's-Gravenhage, den 24 Januari 1902.
Conclusies
Het betreft Johann Caspar Hubert van Wersch,
geboren in het Duitse Forst op 17 oktober 1842. In 1901 hij was 59 jaar,
wilde hij zitting nemen in de Gemeenteraad van Simpelveld. Dat werd hem
geweigerd omdat Johann in Duitsland geboren was en daar ook in het leger
gezeten had, dus, redeneerde de Gemeenteraad, was hij Duitser en kon dus
niet in een Nederlandse gemeenteraad zitting nemen. Johann protesteerde.
Hij was wel degelijk Nederlander, net als zij ouders. Dat die nou in 1842
naar Forst (D) verhuisden, was niet zijn schuld. Zijn vader was gescheiden
en in 1841 voor de tweede maal getrouwd met een vrouw uit Laurensberg.
De Gemeenteraad herhaalde nogmaals het feit dat
Johann vrijwilliger in 1861 (hij was 19 jaar, dus minderjarig) zonder
Koninklijke toestemming te hebben gevraagd en verkregen als vrijwilliger
dienst te nemen in het Duitsche leger. Johann vond het onterecht en
stapte naar Gedeputeerde Staten. Ook daar kreeg hij geen gelijk. Zijn verweer
luidde ondermeer: zijnde in Duitschland geboren, ook in dat Rijk militieplichtingen
te vervullen had. Hij wilde tevens voorkomen dat zijn broer voor dienst
opgeroepen zou worden en hij had al twee broers in het Duitse leger gehad
(Dit heb ik nog niet bewezen gevonden). Zijn oudste broer is in Duitsland
blijven wonen en daar wonen zijn nazaten nog steeds. Zijn jongste
broer was wel in het Duitse leger geweest en als zodanig meegedaan
aan de Frans -Duitse oorlog van 1871-1872. Als dertigjarige verhuisde hij
naar Vaals en trouwde daar.
Op 18 oktober 1901 besloot Gedeputeerde Staten de niet toelating en ook het niet Nederlandschap van Johann te handhaven. Ook dit accpeteerde Johann niet en stapte naar de hoogste raad: de Raad van State. Die besloot echter, wellicht to zijn verbazing en alle tegenwerpingen, dat wat eerderen besloten haaden, miet veranderden. Johann was dus geen Nederlander en mocht niet in de Gementeraad van Simpelveld zitten.
Uiteindelijk verwierf Johann op 1 juni 1903 het
Nederlanderschap. Hij woonde met zijn gezin op de boerderij Henneberg in
Simpelveld. De Henneberg is een hofstede in Simpelveld. In de gevel staat
een jaartal 1708. Dus Caspar zal wel de boerderij gehuurd hebben. Er is
in 2010 een Hennenbergstraat en Hennebergweg en een Hennebergschool in
Simpelveld.
![]() |
![]() |
|
|
zijn stamboom |