bron: Op Zoek naar de Voorvaderen door M.L.H. van Wersch, Simpelveld 1990.
Philippus van Wersch werd geboren in Kerkrade als zevende kind van Johannes
van Wersch en Anna Catharina Brouwers. Zijn vader was pachter van een grote
boerderij die toebehoorde aan de abdij van Rolduc.
Al jong trad Philippus in in de orde van de Heilige Franciscus van
de Minderbroeders Conventuelen, ook Minorieten genoemd, onder de naam Philibertus.
Zijn professie deed hij in Trier op 25 oktober 1775, 21 jaar oud. Op 14
december 1776 werd hij naar het Minorietenklooster in Linnich overgeplaatst
(Linnich ligt zo'n 30 km oostelijk van Heerlen). Daar kreeg hij een half
jaar later de tonsuur en de wijding tot subdiaken. Weer een half jaar later
werd hij tot diaken gewijd en twee weken later tot priester. Hij was 23
jaar.
Van 1779 tot 1782 was hij novicenmeester in het Minderbroedersklooster
in Trier, een hele eer, gezien zijn leeftijd, hierna ging hij weert erug
naar Linnich.
In 1791, Philippus is 37 jaar, werd hij benoemd tot gardiaan van het
Minorietenklooster in Duisburg. Hier bleef hij twee jaar waarna hij terug
naar zijn klooster in Linnich ging. Ondertussen was op wereld niveau de
oorlog met Frankrijk uitgebroken. In 1794 hadden de Franse revolutionaire
troepen de linker Rijnoever voor het grootste deel bezet en bij deze operatie
werd Linnich op 2 oktober 1794 door een groot bombardement getroffen. Het
kloostercomplex met kerk en school werd grotendeels verwoest. Op 17 april
1798 schreef Philippus en zijn medemonniken een brief naar de Centrale
Administratie waarin de deplorabele toestand van het klooster beschreven
werd, dat er schulden waren en dat de beloofde salarissen voor schoolonderricht
nog niet betaald waren. In de brief noemt hij zich P.Philibert vonWersch
Guardien.
Het klooster is niet lang daarna toch opgeheven. Blijkbaar kregen zij geen subsidie. In 1801 werd de eerste stap hiertoe gezet. Er werd een inventarisatielijst gemaakt. In het klooster verbleven toen tien monniken en vijf broeders. Van deze vijftien man waren er slechts drie Nederlander. Op 17 augustus 1802 werd het "proces verbal" van het besluit van 9 juni 1802 tot opheffing van het klooster overgebracht. Een zinsnede uit het verbaal luidde: "hierna hebben wij aan de leden van het opgeheven klooster aangezegd dat zij binnen de gestelde termijn gehouden zijn de nationale huizen die zij bewonen te verlaten en dat, te rekenen vanaf dit tijdstip, het hun niet geoorloofd zal zijn, het habijt van hun orde te dragen." De Franse bezetter stuurde immers aan op secularisatie van de kerkelijke zaken.
Na de opheffing van het klooster was de toekomst van Philibert
onzeker geworden. Zijn kloosternaam moest hij in zijn roepnaam Philippus
veranderen. Voor een ambt in de zielzorg moest hij ergens benoemd worden.
Maar dat bleek een probleem. Door de vele uit het klooster gezette monniken
waren plaatsen moeilijk te vinden. Het is in ieder geval zeker dat Philippus
in 1803 in Linnich woonde. Op 26 april 1804 werd hij als hulpgeestelijke
aan de parochiekerk van Linnich verbonden met toelating tot de zielenzorg
voor de tijd van twee jaar. In 1806 werd deze toelating voor de tijd van
vijf jaar verlengd. Op 23 april 1807 (Philippus is 52 jaar) volgde zijn
benoeming tot pastoor van Ruhrberg waar hij tot mei 1810 bleef.
In juni 1810 werd hij overgeplaatst naar Stetternich, een dorpje vlakbij
Linnich, waar hij kort zou verblijven. Zijn voorganger, schreef hij in
een brief aan zijn bisschop, had al het geld opgemaakt "maar bovendien
ook nog schulden op zich geladen zodat de inkomsten niet eens meer voldoende
zijn voor de aanschaf van brandmateriaal voor fornuis en kachel en hard
voor mij zo'n lot zou zijn waarvoor ik intens zou huiveren." Het gevolg
was dat hij op 26 juli 1811 overgeplaatst werd naar Morken. Hij kreeg een
jaarlijks salaris van 500 francs. Dit stond vermeld in het officiële
"Brevet de Traitement."
In Morken had hij zijn plaats gevonden. Hij kreeg na twee jaar zelfs een kapelaan die jammer genoeg op 54 jarige leeftijd in 1820 overleed aan de tering. Zelf voelt Philippus (hij is inmiddels 66 jaar) zich oud en zwak schreef hij aan de bisschop. Hij kon het werk niet meer aan en vroeg om hulp. Of hij die gekregen heeft is niet meer te achterhalen omdat er geen correspondentie meer bekend is. Philippus overlijdt op 1 januari 1822.
In zijn testament stond het volgende:
Mein erbe soll sein meines Bruders Theodor ältester Sohn Stephan
von Wersch auf dessen Vorversterbens soll sein Bruder Peter Joseph von
Wersch. Den Armen der Pfarre von Morken vermache ich zwey Malder Roggen
und ein Malder Weitzen: der Kirche vermache ich einen silberen übergoldeten
Kelch nebst einen Messenbuch mit Silber beschlagen im ganzen angeschlagen
dieses Vermächtnisz zu sechszig Reichsthaler für ein ewiges Jahr
Gedächtenis für mich und meine Familie, nebst der Verbindlichkeit
meinen unter den Todten abzulesen wofür die Kirche einen zeitlichen
Herrn Pfarrer jährlich zwey Reichsthaler, dem Herrn Vikar jährlich
dreyzig Stüber für eine Lese Messe, dem Küster jährlich
achtzehn Stüber, dem organisten jährlich zwölf Stüber
zahlen solle.
Meine Haushälterin vermache ich für ihre gute Aufwartung,
nebst ihrem Lohn vier Kronenthaler: den Armen der Pfarre von Morken vermache
ich ein anzulegendes Kapital von dreyhundert Reichsthaler; der Schule von
Morken und Harf vermache ich ein anzulegenden Kapital von dreyhundert Reichsthaler
zur Unterweisung der Armenkinder:
Mein Exekutor sey Joann Gerard Leonards, wirklicher Pfarrer zu Königshoven,
falls selbiger aber versterben sollte der Herr Peter Joseph Schmitz Gutsbesitzer
zu Königshoven und in dieser Eigenschaft vermache ich dem einen oder
anderen die Summe von fünf und zwanzig Reichsthaler.
Het is duidelijk dat Philippus een redelijk vermogend man was.
Zijn bidprentje vermeldde dat hij overleed "an der Burst-Wassersucht ganz sanft und ruhig, wie er gelebt hatte. Die Pfarre hat Ursache zu trauren; die verliert an ihm einen wahren Jugendfreund, Wohlthäter der Armen."
En waar ligt Morken dan?. Ik vond het niet totdat ik in februari
2010 een mail van Gerhard uit Monschau deze mail ontvangen:
Dieses Morken lag im Rheinland in der Nähe von Bedburg. Das
ist im Dreieck zwischen Köln, Düsseldorf und Aachen. Alle drei
alten Orte (Morken, Harff und Königshoven) (deze plaatsen staan
ook in het testament genoemd) sind in den 1970er Jahren durch den Braunkohletagebau
(Tagebau Frimmersdorf-Süd) verschwunden. Die dort lebenden Menschen
wurden umgesiedelt in andere Orte, wie Kaster oder den neuen Ort Königshoven.
Der Ort Morken ist damit aber verschwunden.