Ferdinand Hubert van Wersch
Foto op zijn bidprentje

Mijn opa Ferdinand stierf op 4 november 1955, 79 jaar oud. De begrafenis was op 7 november 1955. Hij heeft voor Heerlen heel wat betekend. Zelfs zoveel dat Het Limburgs Dagblad op 5 november 1955, een dag na zijn overlijden schreef:
 
 

Ferd. H. van Wersch, 79 jaar oud, overleden

Heerlen, 4 November (Eig. red.)

Op 79-jarige leeftijd overleed Vrijdagmorgen in het St.Joseph-Ziekenhuis te Heerlen de heer Ferd. H. van Wersch, een Heerlenaar die zich bijzonder grote verdiensten voor zijn stad verwierf en een arbeidszaam leven leidde als weinig anderen.

Hij was de laatste van de vijf broers van Wersch, van wie het geboortehuis in de Emmastraat staat. Het geslacht van Wersch stamt uit de jaren omstreeks 1660 van de grote boerderij "La ferme lanterne" te Wahlwiller. De grootvader van de thans overledene trok vandaar naar Aken waar hij een koetsiersbedrijf begon. Zijn vader G.W. van Wersch (moet zijn J.W. van Wersch, 352,XX, redaktie deze website) kwam van Aken naar Heerlen, trouwde hier en vestigde in 1859 het bekende schildersbedrijf in de Emmastraat dat over vier jaar dus honderd jaar zal bestaan. Ferdinand werd hier op 26 Juli 1876 geboren. Hij studeerde enige jaren voor onderwijzer en nam daarna als echte paardenliefhebber vrijwillig dienst bij de huzaren. Na de dienst ging hij in 1898 naar de schildersschool te Rotterdam om zich met een eigen zaak in de Klompstraat te Heerlen te vestigen. In 1904 trouwde hij met Maria H. Lintjens, een afstammeling van burgemeester Lintjens die van 1820 tot '43 burgervader van Heerlen is geweest.
In 1908 vestigde de heer van Wersch zich in 't pand Stationstraat 6, waar zijn familie nu nog woont.

Wat deze echte Heerlenaar voor zijn stad, en het algemeen belang heeft gedaan, daarover zou 'n boek zijn te schrijven. Vooral ook het verenigingsleven trok hem aan. Zo was hij o.m. jarenlang voorzitter van de R.K. middenstandsvereniging en van de R.K. schilderspatroonsbond. Hij organiseerde middenstandstenstoonstellingen, gymnastiekfeesten, wielerfeesten, schuttersfeesten, priesterfeesten, enz.
Verder was hij, die de folklore na aan het hart lag, voorzitter van het huldigingscomité bij gelegenheid van het 350-jarig (moet zijn: 450 jarig: redaktie website) bestaan van de Heerlense schutterij St. Sebastianus en voorzitter van het huldigingscomité bij de viering van het 90-jarig bestaan van de Kon. harmonie St. Caecilia.
Na de oorlog verwierf hij zich nog grote verdiensten voor de schutterij als lid van de commissie van bijstand; niet voor niets werd hij dan ook tot erelid benoemd. Vier jaar lang diende hij de gemeenschap als lid van de gemeenteraad.

Stoere commandant
En dan mag zeker niet vergeten worden zijn jarenlange commandantschap van de Heerlense vrijwilliger brandweer - zowel vóór de oorlog (tot 1930) en vooral ook onder de bezetting.
Aan hem persoonlijk dankt Heerlen dat op 17 september 1944 - de bevrijdingsdag - het station niet tot de grond toe afbrandde. Op eigen risico riep hij zijn brandweer op, die dapper met het blussingswerk begon nadat hij een Duitse autoriteit had weggestuurd met de verzonnen mededeling dat hij van hoger hand opdracht had om de brand in het station te blussen. Tijdens de oorlog was hij ook steeds het allereerst op zijn post als de sirenes gierden.
Op 70-jarige leeftijd werd hij door de brandweer met een borstbeeld van hem zelf, gemaakt door de Heerlense beeldhouwer H. Stump, vereerd.
Gedurende de oorlog 1914-'18 had hij zich eveneens reeds zeer verdienstelijk gemaakt bij het verzorgen van Belgische geinterneerden en vluchtelingen. Hiervoor ontving hij van koning Albert de onderscheiding van de gouden palm van de Kroonorde van België (= Les Palmes en or de l'Ordre de la Couronne).
Het oud-Heerlens dialect lag de heer van Wersch ook bijzonder na aan 't hart. Het Ned. Taalgenootschap kon bij hem terecht wanneer het ging om oud-Heerlense uitdrukkingen, enz. Hij heeft steeds intens met de ontwikkeling en bloei van zijn stad meegeleefd. Een groot liefhebber was hij tenslotte van de jacht waarbij hij als schutter een bekende naam had."

En De Nieuwe Limburger schreef op 8 november 1955
 

Ferd. H. van Wersch ten grave gedragen

Onder grote belangstelling en met treffende medeleven heeft Heerlen Maandagmorgen afscheid genomen van de heer Ferdinand Hubert van Wersch, oud-commandant van de vrijwillige brandweer, die Vrijdag na een korte ziekte in de leeftijd van 79 jaren te Heerlen overleed. Een lange begrafenisstoet trok tegen half tien vanuit het ziekenhuis naar de St. Pancratiuskerk, waar kapelaan 
J. van Eijseren met assistentie de plechtige Réquiemmis opdroeg. Een heerneef van de overledene, de Z.E. Heer J. van Wersch uit Amsterdam (= Leo van Wersch, 354,5,a), droeg een H. Mis op aan een zij-altaar. De plechtige uitvaartdienst werd o.m. bijgewoond door burgemeester M. van Grunsven, verschillende raadsleden en oud-raadsleden, gemeente-ontvanger Beckers, de heer Janssen, chef der afdeling Bevolking, de heer Tummers, namens Veldeke, de heer van Rummelen, talrijke vrienden van de overledene, vertegenwoordigers van de Middenstandsvereniging en de Kon. Harmonie St. Caecilia en tenslotte geuniformeerde deputaties van de vrijwillige- en beroepsbrandweer en van de schutterij St. Sebastianus, welke bij het binnendragen van de lijkkist een erehaag vormden aan de kerkdeur. Na de uitvaartdienst verrichtte kapelaan van Eyseren de absoute. De lange begrafenis stoet naar het kerkhof aan de Akerstraat werd voorafgegaan door brandweer en schutterij, die nadien aan de geopende groeve, de laatste groet brachten. Kapelaan Bonnemayer verrichtte hier de laatste gebeden, waarna de oudste zoon van de overledene, de heer F. van Wersch (moet G. van Wersch zijn) uit Amsterdam, namens de familie dankte voor het betoonde medeleven. Talrijke kransen en bloemstukken vormden een laatste eerbetoon aan de overledene, die zich tijdens zijn leven onschatbare verdiensten in het verenigingsleven verwierf.

Tot zover de kranten over Ferdinand van Wersch bij zijn dood. Hij werd geboren op woensdag 26 juli 1876 in de Emmastraat 8 in Heerlen. Toen heette die straat de Dorpsstraat. Zijn naam dankt hij aan zijn peetoom Ferdinand van Oppen die naast de familie Van Wersch woonde en die, via de familie Penners, familie van zijn vader Jan Willem Anton van Wersch, was. Van de familie Van Oppen kocht Jan Willem Anton het huis Emmastraat 8 en begon er een schildersbedrijf in. Rond 1960 werd dit huis afgebroken in het kader van stadsvernieuwing.
Ferdinands vader stierf toen hij dertien was en zijn moeder toen hij zeventien was, waardoor hij een wees werd. Gelukkig had hij oudere broers die hem opvoedden. Op zijn negentiende werd hij huzaar in 's-Hertogenbosch en in 1896 ging hij naar de schildersschool in Rotterdam waar hij op kamers zat. In dat pension waren enkele meisjes die van beroep "kunstrijders" te paard waren en in het circus optraden. Ferdinand wilde indruk maken en sloot een weddenschap met hen af: hij kon dat vak net zo goed als de meisjes. En om dat te bewijzen trad hij enkele avonden op in het circus als "kunstrijders"of "schoolrijder" te paard.
In 1898 ondernam hij een grote reis. Zijn twee jaar oudere zusje Jeanette was inmiddels getrouwd met Alphons Eyssen. Deze man was uitvinder van elektrische apparaten en reisde zijn met zijn vrouw door de wereld om die apparaten te verkopen. Zodoende kwamen zij ook in Moskou terecht. In 1898! Daar kreeg zij vreselijke heimwee naar Heerlen en schreef haar broer Ferdinand of hij haar kwam halen. En hij reisde naar Moskou af.

WerkbriefjeTerug in Heerlen begon hij een schildersbedrijf. Eerst in de Klompstraat en later in de Stationsstraat. Heerlen was juist in die tijd aan het groeien, mede door de komst van de trein in 1896 en de opkomst van de mijnbouw, Dat betekende vele nieuwe huizen en fabrieken. Ferdinand sloot een contract met de mijndirecteuren en de zaak breidde stevig uit.

In 1904 trouwde hij met Maria Hubertina Lintjens. Hij was 28, zij 21. Hun pasfoto's staan op de Heerlense Tak bij hun namen. In 1917 kreeg H.F. van Wersch te Heerlen, in verband met de Eerste Wereldoorlog, een vergunning van de Inspecteur der Directe belastingen Invoerrechten en Accijnzen tot het vervoeren van oliën, verfstoffen en behangselpapieren, benoodigd voor het uitoefenen van zijn bedrijf, van behangen en schilder, naar zijne werken te Brunssum, Hoensbroek, Heerlen, Schaesberg, Kerkrade en Eijgelshoven langs gewone wegen. Deze vergunning is enkel maar van kracht voor vervoer tusschen zonsop- en ondergang; daarvan mag alleen gebruik gemaakt worden door den houder, door leden van zijn gezin of door personen in zijnen dienst.
Uit de krant van 16 april 1913
 
 
 

Ferdinand werd langzaamaan een van de grote organisatoren van dorpsfeesten. Hij zat in allerlei besturen, werd lid van de vrijwillige brandweer en gaf het sociale leven van Heerlen dat wat het nodig had, getuige de krantenberichten hierboven en hier na volgend.

De vrijwillige brandweer had ook een grote plek ingenomen in zijn hart. Op 8 april 1908 werd die opgericht. De voorzitter was de heer Schmitz, een zeer markante figuur met een grote grijze baard. De tweede voorzitter was, volgens de geschriften Willem van Wersch, volgens anderen Edmond van Wersch. En als één van de twintig leden was Ferd van Wersch. Alle drie waren het broers. Later zou Ferd als luitenant het commandantschap op zich nemen, zoals hieronder uitgebreid verteld wordt. koninginne optocht 1919 Op 31 augustus 1919 nam de brandweer ook deel aan het koninginne-feest. Op bijgaande foto staat boven op de wagen, in het wit staat hun zusje Jetteke van Wersch, die een jaar later, op 11jarige leeftijd, zou verongelukken. Op de bok van de wagen zit in het midden de voorzitter van de vrijwillige brandweer de heer Schmitz. Links naast hem zit Ferd van Wersch. De stoet rijdt net het Emmaplein in Heerlen op. Rechts de winkel Amsterdamsche Boterhandel. Links ervan een winkel met Drogerijen. En rechts ernaast een modezaak. Links op de foto de Comestibles hoekwinkel van de Fa. M.H. Krekelberg. Enkele jaren later zou daar een café in komen.
 
 
 
 
 
 
 
 

Een van de grotere feesten die hij mede-organiseerde was in 1921. Om dat feest te promoten verscheen er een speciale editie, een zogenaamd Tentoonstellingsnummer van het "Limburgsch Dagblad" (zaterdag 13 augustus 1921). Ferd had als voorzitter van het comité het voorwoord geschreven:
 
 

Geachte Lezer. 

Rust een wijle! 
    Ge staat hier op den klassieken bodem van het Romeinsche Coriovallum! Doch een zooverren terugblik in de omnevelde geschiedenis deze plaats verlangen wij niet van U. Zie slechts een korte spanne, een kwart eeuw, 25 luttele jaren dus, terug en ge zult verbaasd staan over de verandering die hier heeft plaats gegrepen. 

    Toen 'n schilderachtige landelijke omgeving: hier en daar een minder aangelegd dan wel vanzelf onstaanen Kerkgraaf of Bongerd poel of Gats, nu rechtlijnige breede winkelstraten met dreunende vrachtwagen, razende autobussen en zoemende auto's, in vluggen zig-zag wirwarrend naar een bijkans niet te gissen doel. 
    Toen in 't Gatske of strateke 'n klein winkeltje van 'n ambachtsbaasje, dat 'n nerikje drijft als bijzaak; nu waren paleizen van bank- en hotelwezen en schier in alle straten met groote voortvarendheid als wolkenkrabbers omhoog gedreven winkelhallen met zwermen van drukke bedienden. 
    Toen een eenvoudige bevolking van omtrent zes duizend brave zielen, passende in het rustige kader van z'n gouden korenvelden, thans, of na de grootsteedsche annexatie van Schaesberg een warreling van 40.000 inwoners, bijeengezogen door 't zwarte goud van onze bodem, welhaast uit alle landen der aarde. 
    Toen als ontmoetingspunt op 'n Zondagschen kerkgang het over 'n brug met tweebogen te bereiken kerkje; nu dagin, daguit van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat de Saroleastraat als slagader van het grootstadsverkeer en hier en daar en in de verte als rookzuiverend verrezen de Godshuizen, scholen, patronaten, tehuizen, hospitalen, ambachtscholen, tot zelfs daar hoogop in de bosschen een alweer nieuwe vroedvrouwenschool. 

   Toen als éénig hotel het toch ook reeds vermaarde hotel Cloot, dat nog in exploitatie is, thans restaurants en eerlang een schouwburg van den eersten rang en een gerestaureerd Aambosch; teveel wellicht naar oud-Limburgsche zede. Aambosch en Saroleastraat! Twee namen die herinneringen, gepaard aan weemoed wellicht wekken in het warmvoelende hart van den rechtgeaarden Limburger: aan den onvergetelijke Sarolea. 
    Sarolea, de man, die gansch met zijn werkkracht, met gansch zijn have en goed den reuzensstoot gaf tot de ontginning der mijnen die de opbloei waren van Heerlen, van de Mijnstreek, meer dateerend vanaf Bloeimaand 1896 toen voor 't eerst 't stoomros daverde van het aloude Sittard naar Herzogenrath. 

    En ook thans nog, zelfs in dezen kritieken tijd, als elders verslapping dreigt en verwarring. verheugt Heerlen zich in een weliswaar getemperden maar toch gestagen groei. 

    Het verheugt zich in een welvarenden arbeidersstand, een uit zijn slaapperiode met verjongde kracht gewekten Middenstand en nijvere industrieën. 
    Wat de R.K. Middenstand thans durfde ondernemen als voornaamste uiting van zijn zich ontwikkelende kracht vindt Ge hier in den opzet deze Tentoonstelling. 
    Aan traditie heeft Heerlen U weinig te toonen: het heeft geen vergeelde perkamenten die getuigen van de ontvangst van de grooten der aarde, maar Heerlen is "De groeiende Stad". het is nieuw, het is zichzelf, het teert niet lusteloos op den verwelkenden roem van die vóór ons waren: het heeft den durf der jonkheid en bereikt reeds den moed van den vastberaden man: het verwelkomt zijne gasten in het nieuwe kleed van de moderne stad. 
    Wees welkom! 

Ferd. van Wersch

In dezelfde krant staat tevens een redactioneel stuk over de voorzitter Ferd. van Wersch:
 

...den verdienstelijken voorzitter, die 'n openbaring voor ons geweest is, hetgeen we zoo treffend hebben kunnen waarnemen op eene der goed bezochte, van goeden geest en amicalen omgang getuigende vergaderingen van den R.K. Heerlenschen Middenstand. 
    Uit de gezellige zoemende atmosfeer van een 70-tal middenstanders, allemaal kerngezonde, goedlachsche, Limburgsche koppen met hier en daar een Hollander ertusschen, die in pretstemmingen aan den kout deelneemt, klinkt plots het warme krachtige, geluid van den voorzitter: Jongens, ik open de vergadering, gelooft zij Jezus Christus. Alles rijst op: in eeuwigheid, amen. Dan zet zachtjens het kallen weer in; in 'n hoek davert al weer 'n gulle lach, doch ras heeft de voorzitter het oor der vergadering. Deze man weet zonder vergadertechniek, die altijd iets ongezelligs heeft, zonder den sommigen voorzitters zoo eigene geraffineerde gladheid, maar met openhartigheid, met 'n leuken kwinkslag, met zijn vlug vattenden geest, waarbij hij nu eens 'n interruptie pareert, dan weer 'n vrijmoedigen opdringer onmiddellijk een "veeg met 'n gullen lach" geeft, waarbij z'n oog van ingehouden pret glinstert, een vergadering te leiden zoo gezellig, zoo ongedwongen Limburgsch-amicaal, dat men onwillekeurig in feeststemming komt. Deze voorzitter is 'n geboren leider, geen heerscher, want gaarne smelt hij de meening der leden met de zijne samen. (...) Advertentie 13 augustus 1921 Het is bekend, dat bij alle volksuitingen de van Werschen (hier krijgt ook de bescheiden man, de heer Edmond van Wersch (Ferd's oudere broer blz 354,5) zijn welverdiende pluim), zooal niet steeds vooropmarcheerend, dan toch altijd stuwende krachten zijn. Zonder hen is 'n Zangersfeest, een fanfare, 'n muziek-, tooneel- of turnuitvoering 'n organisatie of opzet van godsdienstigen, van vermakelijken, van ontspannende aard bijna ondenkbaar.

En zo organiseerde hij vele feesten, bijeenkomsten, bruiloften, priesterwijdingsfeesten, Schutterij feesten etc. Behalve dat hij zich hiervoor inzette, vergat hij ook het sociale aspect niet. De oorlog, de wrede Eerste Wereldoorlog was dan wel aan Nederland voorbij gegaan, maar ondermeer Limburg kreeg wel de Belgische vluchtelingenstroom te verwerken. Zowel Ferdinand als zijn broer Edmond zetten hun gezamenlijke krachten in en regelden weer van alles. Dit leidde tot een koninklijke Belgische onderscheiding voor beide broers:
 
 
 
Les Palmes en or Ferdinand en zijn broer Edmond ontvingen in januari 1927 de Belgische ridderorde: Les Palmes en Or de l'Ordre de la Couronne, vanwege hun werk voor de Belgische vluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog. Zo smokkelde Ferdinand brieven over de Maas naar België en spanden zij zich in voor het welzijn van die vluchtelingen. Koningin Wilhelmina verleende op 10 maart 1927 verlof  tot het aannemen van de gouden Palmen van de Kroonorde van België die beide broers op 20 januari 1927 kregen : Le Roi a bien voulu vous conférer, sur ma proposition les Palmes en Or de l'Ordre de la Couronne. Les Palmes en Or

 

In 1930 bestond de Schutterij 450 jaar. Ferd was weer gevraagd het te organiseren:
 
 

Herdenkingsboek en officieel programma der huldigingsfeesten ter gelegenheid van het 450 jarig bestaan der Koninklijke schutterij St. Sebastianus Heerlen Zondag 3 en 10 augustus.

Aan Bestuur, Officieren en Manschappen der Schutterij St. Sebastianus Heerlen 
Bij het herdenken van het 450-jarig bestaan Uwer Schutterij roep ik U, tevens in naam van de Feestcommissie, van harte
een "Lang zal zij leven" toe. 
Als rasechte Heerlenaar heb ik natuurlijk een warm hart voor onze oudste vereeniging, een erfschap onzer vaadren, dat wij met een zeker piëteitsgevoel in eere behooren te houden. 

Ik herinner mij nog levendig de dagen mijner jeugd, toen onze schutterij een tijdperk van ongekende bloei beleefde. Bij kermissen en feesten was zij de toonaangevende vereeniging. Doch helaas, na dien tijd van bloei kwam een tijdperk van inzinking. De schutterij had voor het modern voelende gedeelte  der bevolking afgedaan, er waren geene redenen meer om zulk een verouderde vereeniging langer te steunen of in stand te houden en slechts geringschatting, ja zelfs bespotting bestond er nog voor dat schoone stukje folklore, hetwelk ons verhaalde van zeden en gebruiken onzer voorouders van voor meer dan vier eeuwen. 

Tot eindelijk enkele flinke mannen, bezield door een gezonden geest, niet ontvankelijk voor moderne dwaalbegrippen, zich
het lot onzer schutterij hebben aangetrokken en in een korte spanne tijds er in slaagden, aan deze vereeniging een nieuw bloeitijdperk in het vooruitzicht te stellen. 

Aan deze mannen een saluut. 
Schutters in 't gelid ! Geef acht !! Presenteert het geweer !!! 

LANG LEVE ONZE SCHUTTERIJ !  HOERA ! 

Heerlen, Augustus 1930 

 Ferd. van Wersch 
   Voorz. Feestcommissie 

 

 

Commandant Vrijwillige Brandweer in oorlogstijd
(op de foto: Ferd. van Wersch (helemaal rechts) als commandant tijdens de Sacramentsprocessie 1946 in Heerlen)

Op 17 september 1979 was het 35 jaar geleden dat Heerlen door de Amerikanen bevrijd was. Op zaterdag 15 september 1946 1979 verscheen daarom  in het Limburgs Dagblad een paginagroot artikel van Cor Lommers over de laatste dagen van de oorlog in Heerlen. Hierin werd ondermeer gesproken over het Driemanschap dat tijdens de oorlog Heerlen bestuurde. Dat waren dhr. G.L. Couwenbergh, waarnemend brandweercommandant, dhr. A.H.M. Hermans, commandant van de luchtbeschermingsdienst en de apotheker dhr. C.G.N. Voncken als waarnemend hoofd van de luchtbeschermingsdienst.

In het kader van Ferd. van Wersch citeren we het volgende stukje daaruit:
 

Branden
Op zondagmorgen 17 september zagen de Duitsers in Heerlen, dat er niets meer aan te doen was. Voordat zij voorgoed vertrokken, staken zij echter eerst nog het station, het Royal Theater en het postkantoor in brand. (...) Het Royal Theater vatte geen vlam. Wel het station. Toen de luchtbeschermingsdienst dat ontdekte trok er onmiddellijk een opruimingsploeg heen om de inboedel te redden. Deze ploeg werd door de nog aanwezig Duitsers uit elkaar geschoten. De brandweer wist achteraf een deel van het station te behouden. Tijdens het blussen kwam er een Duitse officier langs, die wilde weten waar het blussen voor nodig was. "Feindliche Granateinschlag", was het antwoord. De man geloofde het en lichtte zijn laarzen nog op om de brandslangen niet te beschadigen.

Tot zover enkele regels uit deze krant.

De heer Lommers gebruikte onder meer het artikel met de titel De Brandweer in moeilijke dagen. Brandweer's strijd tegen de Duitsche bezetters
uit Het Limburgsch Dagblad van 26 september 1944 als leidraad.
Enkele regels uit dat artikel van 1944:
 

(...) Toen de Duitschers en Amerikanen hier in en om Heerlen een doorlopend gevecht leverden, trok een speciale Duitsche vernietigingsploeg Heerlen binnen, wier taak het was de openbare gebouwen in brand te steken. Het station stond ook op het programma van de heeren, en om 12 uur maakten ze een begin met hun werk. Zij schijnen daarvoor een uiterst brandbaar, phosphorhoudend materiaal gebruikt te hebben waarmede zij het hoofdbureau aanstaken. In no time ontstond een flinke brand met groote rookontwikkeling. Een en ander was niet ontgaan aan een lid van de brandweer, die vanuit een goede plaats de Duitsche vernielers had gadegeslagen. Zijn werk was om hierop onmiddellijk de brandweer te alarmeren. Ofschoon het volkomen in strijd was met de bedoeling van de Pruisen om den brand te blusschen, die er uitgesproken op tegen waren, is de vrijwillige brandweer onder leiding van Luit. v.Wersch er nietemin snel op uitgetrokken. Met hoofdwachtmeester Lange waren 6 á 7 menschen, later kwam er versterking, die onder gevaarvolle omstandigheden slag tegen het vuur leverden.

(...) Tijdens het blusschen dreigden plotseling moeilijkheden van den kant van een Duitsche officier, die wel niet tot de vernietigingstroepen scheen te behoren, maar blijkbaar wel begreep, wat hier gaande was. Luit. v.Wersch nam deze man voor zijn rekening en bracht hem aan het verstand dat de brand door granaatinslag was ontstaan en dat het blusschen een alleszins gerechtvaardigde zaak was. Luit. v.Wersch verzocht hem bovendien vriendelijk met zijn wagen op de slangen te passen. Er zou beschadiging  - van de slangen wel te verstaan - kunnen ontstaan.

(...) Na de bevrijding heeft de brandweer met Luit. v.Wersch, adj. Couwenbergh, de heer Hermans, hoofd van de L.B.D. vaste kern en Drs. Voncken, die dag en nacht in touw waren geweest en voor alles op de bres hebben gestaan, op enige wagens een eereronde door Heerlen gemaakt en men heeft daarna nog deze gelegenheid aangegrepen om adj. Couwenbergh voor zijn cordaat optreden en gedrag te huldigen.

Op 29 mei 1945 stuurde burgemeester Grunsven van Heerlen de volgende brief naar Ferd. van Wersch
 

Aan
den heer H.F. van Wersch, 
commandant der Vrijwillige Brandweer
Alhier.

Het is mij een behoefte U mijne erkentelijkheid te betuigen voor de belangrijke diensten, welke U sedert 6 september j.l. onder moeilijke omstandigheden aan de Brandweer en aan de gemeente bewezen hebt.

De Burgemeester van Heerlen.

Terug naar het artikel van Cor Lommers uit 1979. Een dag later, op dinsdag 18 september 1979 stond een ingezonden brief in de krant:
 

Driemanschap?
Naar aanleiding van het artikel van Cor Lommers over het bestuur van Heerlen tijdens de bevrijding wil ik op het volgende wijzen: het bestuur van Heerlen bestond niet uit een driemanschap, maar uit een viermanschap. De vierde man was de heer Van Wersch senior, destijds commandant van de vrijwillige brandweer van Heerlen. Hij was de belangrijkste van het viertal. Wanneer er moeilijke beslissingen genomen moesten worden en vooral als er Duitsers te woord gestaan moesten worden was de heer Van Wersch, die dit afhandelde. Zijn standpunt was: ik ben de oudste en de minst kwetsbare en naar een oudere man wordt vlugger geluisterd. Ere wie ere toekomst en het nooit gekregen heeft. Ik heb het van nabij meegemaakt evenals meerdere collega's, die naar ik meen bovenstaande gaarne zullen bevestigen.
Heerlen: A. Haak.
Commandant Ferd. van Wersch 1946

Op 21 september 1979 verscheen in de krant een reactie op deze ingezonden brief, van Floor van Wersch, de jongste zoon van Ferd. van Wersch.
Een deel uit de brief:
 

(...) Speciaal wat betreft zijn aandeel in de bevrijding van Heerlen weet ik van hem het volgende. Bij hun aftocht staken de Duitsers september 1944 het Heerlense station in brand met de bedreiging erbij, dat ieder, die zou willen trachten deze brand te blussen met de dood bestraft zou worden. Geheel op eigen verantwoording en dus met gevaar voor eigen leven rukte mijn vader niettemin  uit met de vrijwillige brandweer, waarvan hij de commandant was, en liet het vuur doven nog onder het oog van de Duitsers. De vrijwillige brandweer heeft hem daarvoor later een bronzen borstbeeld aangeboden (...)

Op dinsdag 25 september 1979 reageerde  J. Bruggeman uit Hoensbroek. Een deel uit die ingezonden brief:
 

Op het verhaal van de heer Van Wersch, docent geschiedenis wil ik graag reageren met de zuivere waarheid. In september 1944 stond ik op die bewuste dag als 15-jarige jongen bij het Royal Theater. Plotseling hoorde ik schieten uit de richting Sarool. Met grote snelheid raasde een motor met zijspan richting station. Een Duitse soldaat gooide, staande in het zijspan, een handgranaat op het station en daarna, over mijn hoofd heen, een handgranaat door de ruiten van het Royal Theater. Even later kwam de vrijwillige brandweer aangemarcheerd uit de richting Stationsstraat met als commandant uw vader naar ik nu vernam. (Het was een zeer corpulent persoon). Hierna had uw vader een gesprek van zeer korte duur met een van de Duitsers en maakte toen rechtsomkeert en marcheerde weer in de richting zoals ze gekomen waren, maar nu in sneller tempo. Het station is dus niet geblust door uw vader met zijn manschappen, maar ik heb zelf gezien, dat spoorwegpersoneel deze brand geblust heeft. (...)

Station Heerlen tijdens de brand

Donderdag 27 september 1979, Floor van Wersch
Enkele regels:
 

Driemanschap?
(4 en slot)

(...) Wat de kwestie betreft volgende.
1) Mijn vader was in september 1944 een uitgesproken magere kleine man en niet zoals de heer J. Bruggeman beweert "een zeer corpulent persoon". De man die de heer Bruggeman achteraf meent voor mijn vader aan te zien, was dat dus niet.
2) De heer A. Haak vertelde me, dat in Heerlen indertijd het verhaal de ronde deed, dat de vrijwillige brandweer onder leiding van mijn vader de brand van het Heerlense station bluste. Zijn ondercommandant was de heer Lange. Deze is misschien nog op te sporen.

Nadat deze ingezonden brief verschenen was, werd Floor van Wersch thuis door verschillende personen gebeld:

De eerste was de heer Quaedvliegh (oudambtenaar van de Oranje Nassau mijn 1). Hij zei dat hij de heer Lange goed gekend heeft en dat hij inderdaad ondercommandant van de vrijwillige brandweer was. Maar waar hij woonde wist hij niet.

De tweede was Nikla Gielen. Hij was, als lid van de beroepsbrandweer, getuige van de brand in het station. Zijn verhaal bevestigde dat Ferd. van Wersch het brandende station aan het blussen was. Hij vertelde: Er kwam een bejaarde Duitse soldaat met het geweer over de schouder en vroeg aan uw vader: "Wo sind meine Kameraden?", waarop vader antwoordde: "Jong, zet dat geweer weg en gank te voot nao diene Heimat. Dae sind dien Kameraden." Daarop zette die soldaat dat geweer weg en wandelde weg.

Een derde telefoontje was van de heer Collombon, destijds lid van de vrijwillige brandweer die aan Floor bevestigde dat zijn vader de brand geblust had. Tevens zei hij dat de Duitsers de wissels op het station hadden laten springen en dat dat waarschijnlijk de knallen waren die de jonge Bruggeman toen hoorde.

Limburgs Dagblad, Zaterdag 29 september 1979. Reactie van de heer J. Collombon uit Heerlen
 

Driemanschap?
Als oud-lid van de toenmalige vrijwillige brandweer wil ik reageren op het commentaar van de heer J. Bruggeman uit Hoensbroek.
Wat hij op die bewuste bevrijdingsdag ook gezien mag hebben, blijkbaar niet de heer van Wersch. Dit was geen corpulent persoon, maar een kleine schriele man. Ik heb persoonlijk de straalpijp in handen gehad die de eerste waterstraal leverde om de brand in het station te blussen.
Bovendien zijn wij niet aangemarcheerd gekomen (zeker niet met onze slangen, pompen enz. op onze nek), maar met de oude Mercedes Benz, onder commando van de heer van Wersch.

Uit het archief van mijn vader kwam het volgende artikel dat hij bewaard had.

De nooit gewaardeerde heldendaad van Ferdinand

Beste „Lange Jan",
OOK hier in Amsterdam wonen abonnee's van Uw blad die van veraf zeer intens meeleven met de ontwikkelingen en gebeurtenissen van de oude Mijnstreek.
NU LEES ik daar onder de rook van de Lange Jan van verleden week zaterdag dat de huidige Kerkraadse brandweer-commandant de schuld om het behoud van het oude stationsgebouw op zich heeft genomen.
NU WIL ik hier na al die jaren niet gaan redetwisten over wat en waar. Het was in die dagen toch al zo'n grote janboel in Heerlen. Ik meen toch wel dat hiet ergens een beetje onrecht werd aangedaan aan een groots figuur destijds, de heer Ferdinand van Wersch zaliger gedachtenis.
IK KAN het mij nog zeer goed herinneren. Het was op die zondagochtend tijdens de Hoogmis in de St. Pancratiuskerk. Wij waren toen wat men heden teenagers pleegt te noemen en konden door het groene glas in lood naast de tochtdeuren tijdens de H. Mis een vernietigings-compagnie der bezetters door de Oranje Nassaustraat zien trekken.
Na de kerkgang vernamen wij van opgewonden mensen dat men bezig was het postkantoor en ook het stationsgebouw in brand te steken. Nieuwsgierig en het gevaar niet beseffend, zoals je op die leeftijd nu eenmaal bent, renden wij erop af en konden de vlammen reeds bij Durlinger op de hoek uit het stationsgebouw zien optraden.
Op hetzelfde moment dat de Duitsers de benen namen in de richting Saroleastraat, hing „der Ferdinand" van Wersch als een woedende stier uit het raam boven zijn schilders- en behang-zaak in die straat en even later stoof hij als een raket, gekleed in brandweerkleding (hij was 't hoofd der vrijwillige) in de richting van het station. Wij achter hem aan. Ergens achter het Scala-theater werd een karretje met brandweerslangen uitgehaald. Wij waren er ooggetuigen van hoe de eerste stralen hoogstpersoonlijk daar „der Ferdinand van Wersch" op het vuur werden gericht.
LATER hebben we er in Heerleen nog vaak om gelachen en hebben hem dit hedendaagse „cultuurbezit" nog menigmaal in de schoenen geschoven".
Amsterdam. G. S.

Uit: de Volkskrant (helaas zonder datum)

Tenslotte
In een van bovenstaande artikelen werd gesproken over het borstbeeld van Ferd. van Wersch.
 
Dit borstbeeld van Ferdinand werd gemaakt door de Heerlense beeldhouwer H. Stumpf  in 1946 ter ere van Ferdinands zeventigste verjaardag in opdracht van de vrijwillige brandweer Heerlen. Hij werd afgebeeld in zijn uniform waarop de Belgische onderscheidingen te zien zijn. Al vanaf de oprichting van de vrijwillige brandweer op 8 april 1908 was hij lid daarvan. Tussen 1939 en 1945 was hij luitenant en commandant van die vrijwillige brandweer en moest veel uitrukken als Heerlen weer eens gebombardeerd was.
In 1970 verhuisde de weduwe Van Wersch en het huis werd ontruimd. Een opkoper kwam langs om mee te nemen wat zou overblijven, maar hij nam dat wel erg letterlijk want alle spullen verdwenen, zo ook dit borstbeeld. Pas in 1979 kwam men erachter dat het borstbeeld in een café in Mheer stond tussen de flessen drank. Ferdinand hield trouwens wel van een borrel en een betere plek kon hij zich niet gewenst hebben. Gelukkig gaf de cafébaas het beeld terug aan een zoon van Ferdinand.

Het borstbeeld is nu in familiebezit.
 

Terug naar
Ferdinand van Wersch 
 Levensverhalen
 index