
Mijn opa Ferdinand stierf op 4 november 1955, 79 jaar oud. De begrafenis
was op 7 november 1955. Hij heeft voor Heerlen heel wat betekend. Zelfs
zoveel dat Het Limburgs Dagblad op 5 november 1955, een dag na zijn overlijden
schreef:
| Ferd. H. van Wersch, 79 jaar oud, overleden
Heerlen, 4 November (Eig. red.) Op 79-jarige leeftijd overleed Vrijdagmorgen in het St.Joseph-Ziekenhuis te Heerlen de heer Ferd. H. van Wersch, een Heerlenaar die zich bijzonder grote verdiensten voor zijn stad verwierf en een arbeidszaam leven leidde als weinig anderen. Hij was de laatste van de vijf broers van Wersch, van wie het geboortehuis
in de Emmastraat staat. Het geslacht van Wersch stamt uit de jaren omstreeks
1660 van de grote boerderij "La ferme lanterne" te Wahlwiller. De grootvader
van de thans overledene trok vandaar naar Aken waar hij een koetsiersbedrijf
begon. Zijn vader G.W. van Wersch (moet zijn J.W. van Wersch, 352,XX,
redaktie deze website) kwam van Aken naar Heerlen, trouwde hier en
vestigde in 1859 het bekende schildersbedrijf in de Emmastraat dat over
vier jaar dus honderd jaar zal bestaan. Ferdinand werd hier op 26 Juli
1876 geboren. Hij studeerde enige jaren voor onderwijzer en nam daarna
als echte paardenliefhebber vrijwillig dienst bij de huzaren. Na de dienst
ging hij in 1898 naar de schildersschool te Rotterdam om zich met een eigen
zaak in de Klompstraat te Heerlen te vestigen. In 1904 trouwde hij met
Maria H. Lintjens, een afstammeling van burgemeester Lintjens die van 1820
tot '43 burgervader van Heerlen is geweest.
Wat deze echte Heerlenaar voor zijn stad, en het algemeen belang heeft
gedaan, daarover zou 'n boek zijn te schrijven. Vooral ook het verenigingsleven
trok hem aan. Zo was hij o.m. jarenlang voorzitter van de R.K. middenstandsvereniging
en van de R.K. schilderspatroonsbond. Hij organiseerde middenstandstenstoonstellingen,
gymnastiekfeesten, wielerfeesten, schuttersfeesten, priesterfeesten, enz.
Stoere commandant
|
En De Nieuwe Limburger schreef op 8 november 1955
| Ferd. H. van Wersch ten grave gedragen
Onder grote belangstelling en met treffende medeleven heeft Heerlen
Maandagmorgen afscheid genomen van de heer Ferdinand Hubert van Wersch,
oud-commandant van de vrijwillige brandweer, die Vrijdag na een korte ziekte
in de leeftijd van 79 jaren te Heerlen overleed. Een lange begrafenisstoet
trok tegen half tien vanuit het ziekenhuis naar de St. Pancratiuskerk,
waar kapelaan
|
Tot zover de kranten over Ferdinand van Wersch bij zijn dood. Hij werd
geboren op woensdag 26 juli 1876 in de Emmastraat 8 in Heerlen. Toen heette
die straat de Dorpsstraat. Zijn naam dankt hij aan zijn peetoom Ferdinand
van Oppen die naast de familie Van Wersch woonde en die, via de familie
Penners, familie van zijn vader Jan Willem Anton van Wersch, was. Van de
familie Van Oppen kocht Jan Willem Anton het huis Emmastraat 8 en begon
er een schildersbedrijf in. Rond 1960 werd dit huis afgebroken in het kader
van stadsvernieuwing.
Ferdinands vader stierf toen hij dertien was en zijn moeder toen hij
zeventien was, waardoor hij een wees werd. Gelukkig had hij oudere broers
die hem opvoedden. Op zijn negentiende werd hij huzaar in 's-Hertogenbosch
en in 1896 ging hij naar de schildersschool in Rotterdam waar hij op kamers
zat. In dat pension waren enkele meisjes die van beroep "kunstrijders"
te paard waren en in het circus optraden. Ferdinand wilde indruk maken
en sloot een weddenschap met hen af: hij kon dat vak net zo goed als de
meisjes. En om dat te bewijzen trad hij enkele avonden op in het circus
als "kunstrijders"of "schoolrijder" te paard.
In 1898 ondernam hij een grote reis. Zijn twee jaar oudere zusje Jeanette
was inmiddels getrouwd met Alphons Eyssen. Deze man was uitvinder van elektrische
apparaten en reisde zijn met zijn vrouw door de wereld om die apparaten
te verkopen. Zodoende kwamen zij ook in Moskou terecht. In 1898! Daar kreeg
zij vreselijke heimwee naar Heerlen en schreef haar broer Ferdinand of
hij haar kwam halen. En hij reisde naar Moskou af.
Terug
in Heerlen begon hij een schildersbedrijf. Eerst in de Klompstraat en later
in de Stationsstraat. Heerlen was juist in die tijd aan het groeien, mede
door de komst van de trein in 1896 en de opkomst van de mijnbouw, Dat betekende
vele nieuwe huizen en fabrieken. Ferdinand sloot een contract met de mijndirecteuren
en de zaak breidde stevig uit.
In 1904 trouwde hij met Maria Hubertina Lintjens. Hij was 28, zij 21.
Hun pasfoto's staan op de Heerlense Tak bij hun namen. In 1917 kreeg H.F.
van Wersch te Heerlen, in verband met de Eerste Wereldoorlog, een vergunning
van de Inspecteur der Directe belastingen Invoerrechten en Accijnzen tot
het vervoeren van oliën, verfstoffen en behangselpapieren, benoodigd
voor het uitoefenen van zijn bedrijf, van behangen en schilder, naar zijne
werken te Brunssum, Hoensbroek, Heerlen, Schaesberg, Kerkrade en Eijgelshoven
langs gewone wegen. Deze vergunning is enkel maar van kracht voor vervoer
tusschen zonsop- en ondergang; daarvan mag alleen gebruik gemaakt worden
door den houder, door leden van zijn gezin of door personen in zijnen dienst.
Ferdinand werd langzaamaan een van de grote organisatoren van dorpsfeesten. Hij zat in allerlei besturen, werd lid van de vrijwillige brandweer en gaf het sociale leven van Heerlen dat wat het nodig had, getuige de krantenberichten hierboven en hier na volgend.
De vrijwillige brandweer had ook een grote plek ingenomen in zijn hart.
Op 8 april 1908 werd die opgericht. De voorzitter was de heer Schmitz,
een zeer markante figuur met een grote grijze baard. De tweede voorzitter
was, volgens de geschriften Willem van Wersch, volgens anderen Edmond van
Wersch. En als één van de twintig leden was Ferd van Wersch.
Alle drie waren het broers. Later zou Ferd als luitenant het commandantschap
op zich nemen, zoals hieronder uitgebreid verteld wordt.
Op 31 augustus 1919 nam de brandweer ook deel aan het koninginne-feest.
Op bijgaande foto staat boven op de wagen, in het wit staat hun zusje Jetteke
van Wersch, die een jaar later, op 11jarige leeftijd, zou verongelukken.
Op de bok van de wagen zit in het midden de voorzitter van de vrijwillige
brandweer de heer Schmitz. Links naast hem zit Ferd van Wersch. De stoet
rijdt net het Emmaplein in Heerlen op. Rechts de winkel Amsterdamsche
Boterhandel. Links ervan een winkel met Drogerijen. En rechts
ernaast een modezaak. Links op de foto de Comestibles hoekwinkel
van de Fa. M.H. Krekelberg.
Enkele jaren later zou daar een café
in komen.
Een van de grotere feesten die hij mede-organiseerde was in 1921. Om
dat feest te promoten verscheen er een speciale editie, een zogenaamd Tentoonstellingsnummer
van het "Limburgsch Dagblad" (zaterdag 13 augustus 1921). Ferd had als
voorzitter van het comité het voorwoord geschreven:
| Geachte Lezer.
Rust een wijle!
Toen 'n schilderachtige landelijke omgeving: hier
en daar een minder aangelegd dan wel vanzelf onstaanen Kerkgraaf of Bongerd
poel of Gats, nu rechtlijnige breede winkelstraten met dreunende vrachtwagen,
razende autobussen en zoemende auto's, in vluggen zig-zag wirwarrend naar
een bijkans niet te gissen doel.
Toen als éénig hotel het toch ook reeds vermaarde
hotel Cloot, dat nog in exploitatie is, thans restaurants en eerlang een
schouwburg van den eersten rang en een gerestaureerd Aambosch; teveel wellicht
naar oud-Limburgsche zede. Aambosch en Saroleastraat! Twee namen die herinneringen,
gepaard aan weemoed wellicht wekken in het warmvoelende hart van den rechtgeaarden
Limburger: aan den onvergetelijke Sarolea.
En ook thans nog, zelfs in dezen kritieken tijd, als elders verslapping dreigt en verwarring. verheugt Heerlen zich in een weliswaar getemperden maar toch gestagen groei. Het verheugt zich in een welvarenden arbeidersstand,
een uit zijn slaapperiode met verjongde kracht gewekten Middenstand en
nijvere industrieën.
Ferd. van Wersch |
In dezelfde krant staat tevens een redactioneel stuk over de voorzitter
Ferd. van Wersch:
| ...den verdienstelijken voorzitter, die 'n openbaring voor ons geweest
is, hetgeen we zoo treffend hebben kunnen waarnemen op eene der goed bezochte,
van goeden geest en amicalen omgang getuigende vergaderingen van den R.K.
Heerlenschen Middenstand.
Uit de gezellige zoemende atmosfeer van een 70-tal middenstanders, allemaal kerngezonde, goedlachsche, Limburgsche koppen met hier en daar een Hollander ertusschen, die in pretstemmingen aan den kout deelneemt, klinkt plots het warme krachtige, geluid van den voorzitter: Jongens, ik open de vergadering, gelooft zij Jezus Christus. Alles rijst op: in eeuwigheid, amen. Dan zet zachtjens het kallen weer in; in 'n hoek davert al weer 'n gulle lach, doch ras heeft de voorzitter het oor der vergadering. Deze man weet zonder vergadertechniek, die altijd iets ongezelligs heeft, zonder den sommigen voorzitters zoo eigene geraffineerde gladheid, maar met openhartigheid, met 'n leuken kwinkslag, met zijn vlug vattenden geest, waarbij hij nu eens 'n interruptie pareert, dan weer 'n vrijmoedigen opdringer onmiddellijk een "veeg met 'n gullen lach" geeft, waarbij z'n oog van ingehouden pret glinstert, een vergadering te leiden zoo gezellig, zoo ongedwongen Limburgsch-amicaal, dat men onwillekeurig in feeststemming komt. Deze voorzitter is 'n geboren leider, geen heerscher, want gaarne smelt hij de meening der leden met de zijne samen. (...) |
En zo organiseerde hij vele feesten, bijeenkomsten, bruiloften, priesterwijdingsfeesten,
Schutterij feesten etc. Behalve dat hij zich hiervoor inzette, vergat hij
ook het sociale aspect niet. De oorlog, de wrede Eerste Wereldoorlog was
dan wel aan Nederland voorbij gegaan, maar ondermeer Limburg kreeg wel
de Belgische vluchtelingenstroom te verwerken. Zowel Ferdinand als zijn
broer Edmond zetten hun gezamenlijke krachten in en regelden weer van alles.
Dit leidde tot een koninklijke Belgische onderscheiding voor beide broers:
![]() |
Ferdinand en zijn broer Edmond ontvingen in januari 1927 de Belgische ridderorde: Les Palmes en Or de l'Ordre de la Couronne, vanwege hun werk voor de Belgische vluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog. Zo smokkelde Ferdinand brieven over de Maas naar België en spanden zij zich in voor het welzijn van die vluchtelingen. Koningin Wilhelmina verleende op 10 maart 1927 verlof tot het aannemen van de gouden Palmen van de Kroonorde van België die beide broers op 20 januari 1927 kregen : Le Roi a bien voulu vous conférer, sur ma proposition les Palmes en Or de l'Ordre de la Couronne. | ![]() |
In 1930 bestond de Schutterij 450 jaar. Ferd was weer gevraagd het te
organiseren:
| Herdenkingsboek en officieel programma der
huldigingsfeesten ter gelegenheid van het 450 jarig bestaan der Koninklijke
schutterij St. Sebastianus Heerlen Zondag 3 en 10 augustus.
Aan Bestuur, Officieren en Manschappen der Schutterij St. Sebastianus
Heerlen
Ik herinner mij nog levendig de dagen mijner jeugd, toen onze schutterij een tijdperk van ongekende bloei beleefde. Bij kermissen en feesten was zij de toonaangevende vereeniging. Doch helaas, na dien tijd van bloei kwam een tijdperk van inzinking. De schutterij had voor het modern voelende gedeelte der bevolking afgedaan, er waren geene redenen meer om zulk een verouderde vereeniging langer te steunen of in stand te houden en slechts geringschatting, ja zelfs bespotting bestond er nog voor dat schoone stukje folklore, hetwelk ons verhaalde van zeden en gebruiken onzer voorouders van voor meer dan vier eeuwen. Tot eindelijk enkele flinke mannen, bezield door een gezonden geest,
niet ontvankelijk voor moderne dwaalbegrippen, zich
Aan deze mannen een saluut.
LANG LEVE ONZE SCHUTTERIJ ! HOERA ! Heerlen, Augustus 1930 Ferd. van Wersch
|
Commandant Vrijwillige Brandweer in oorlogstijd
(op de foto: Ferd. van Wersch (helemaal rechts) als commandant
tijdens de Sacramentsprocessie 1946 in Heerlen)
Op 17 september 1979 was het 35 jaar geleden dat Heerlen door de Amerikanen
bevrijd was. Op zaterdag 15 september
1979 verscheen daarom in het Limburgs Dagblad een paginagroot artikel
van Cor Lommers over de laatste dagen van de oorlog in Heerlen. Hierin
werd ondermeer gesproken over het Driemanschap dat tijdens de oorlog Heerlen
bestuurde. Dat waren dhr. G.L. Couwenbergh, waarnemend brandweercommandant,
dhr. A.H.M. Hermans, commandant van de luchtbeschermingsdienst en de apotheker
dhr. C.G.N. Voncken als waarnemend hoofd van de luchtbeschermingsdienst.
In het kader van Ferd. van Wersch citeren we het volgende stukje daaruit:
| Branden
Op zondagmorgen 17 september zagen de Duitsers in Heerlen, dat er niets meer aan te doen was. Voordat zij voorgoed vertrokken, staken zij echter eerst nog het station, het Royal Theater en het postkantoor in brand. (...) Het Royal Theater vatte geen vlam. Wel het station. Toen de luchtbeschermingsdienst dat ontdekte trok er onmiddellijk een opruimingsploeg heen om de inboedel te redden. Deze ploeg werd door de nog aanwezig Duitsers uit elkaar geschoten. De brandweer wist achteraf een deel van het station te behouden. Tijdens het blussen kwam er een Duitse officier langs, die wilde weten waar het blussen voor nodig was. "Feindliche Granateinschlag", was het antwoord. De man geloofde het en lichtte zijn laarzen nog op om de brandslangen niet te beschadigen. |
Tot zover enkele regels uit deze krant.
De heer Lommers gebruikte onder meer het artikel met de titel De
Brandweer in moeilijke dagen. Brandweer's strijd tegen de Duitsche bezetters
uit Het Limburgsch Dagblad van 26 september 1944 als leidraad.
Enkele regels uit dat artikel van 1944:
| (...) Toen de Duitschers en Amerikanen hier in en om Heerlen een doorlopend
gevecht leverden, trok een speciale Duitsche vernietigingsploeg Heerlen
binnen, wier taak het was de openbare gebouwen in brand te steken. Het
station stond ook op het programma van de heeren, en om 12 uur maakten
ze een begin met hun werk. Zij schijnen daarvoor een uiterst brandbaar,
phosphorhoudend materiaal gebruikt te hebben waarmede zij het hoofdbureau
aanstaken. In no time ontstond een flinke brand met groote rookontwikkeling.
Een en ander was niet ontgaan aan een lid van de brandweer, die vanuit
een goede plaats de Duitsche vernielers had gadegeslagen. Zijn werk was
om hierop onmiddellijk de brandweer te alarmeren. Ofschoon het volkomen
in strijd was met de bedoeling van de Pruisen om den brand te blusschen,
die er uitgesproken op tegen waren, is de vrijwillige brandweer onder leiding
van Luit. v.Wersch er nietemin snel op uitgetrokken. Met hoofdwachtmeester
Lange waren 6 á 7 menschen, later kwam er versterking, die onder
gevaarvolle omstandigheden slag tegen het vuur leverden.
(...) Tijdens het blusschen dreigden plotseling moeilijkheden van den kant van een Duitsche officier, die wel niet tot de vernietigingstroepen scheen te behoren, maar blijkbaar wel begreep, wat hier gaande was. Luit. v.Wersch nam deze man voor zijn rekening en bracht hem aan het verstand dat de brand door granaatinslag was ontstaan en dat het blusschen een alleszins gerechtvaardigde zaak was. Luit. v.Wersch verzocht hem bovendien vriendelijk met zijn wagen op de slangen te passen. Er zou beschadiging - van de slangen wel te verstaan - kunnen ontstaan. (...) Na de bevrijding heeft de brandweer met Luit. v.Wersch, adj. Couwenbergh, de heer Hermans, hoofd van de L.B.D. vaste kern en Drs. Voncken, die dag en nacht in touw waren geweest en voor alles op de bres hebben gestaan, op enige wagens een eereronde door Heerlen gemaakt en men heeft daarna nog deze gelegenheid aangegrepen om adj. Couwenbergh voor zijn cordaat optreden en gedrag te huldigen. |
Op 29 mei 1945 stuurde burgemeester Grunsven van Heerlen de volgende
brief naar Ferd. van Wersch
|
den heer H.F. van Wersch, commandant der Vrijwillige Brandweer Alhier. Het is mij een behoefte U mijne erkentelijkheid te betuigen voor de belangrijke diensten, welke U sedert 6 september j.l. onder moeilijke omstandigheden aan de Brandweer en aan de gemeente bewezen hebt. De Burgemeester van Heerlen. |
Terug naar het artikel van Cor Lommers uit 1979. Een dag later, op dinsdag
18 september 1979 stond een ingezonden brief in de krant:
| Driemanschap?
Naar aanleiding van het artikel van Cor Lommers over het bestuur van Heerlen tijdens de bevrijding wil ik op het volgende wijzen: het bestuur van Heerlen bestond niet uit een driemanschap, maar uit een viermanschap. De vierde man was de heer Van Wersch senior, destijds commandant van de vrijwillige brandweer van Heerlen. Hij was de belangrijkste van het viertal. Wanneer er moeilijke beslissingen genomen moesten worden en vooral als er Duitsers te woord gestaan moesten worden was de heer Van Wersch, die dit afhandelde. Zijn standpunt was: ik ben de oudste en de minst kwetsbare en naar een oudere man wordt vlugger geluisterd. Ere wie ere toekomst en het nooit gekregen heeft. Ik heb het van nabij meegemaakt evenals meerdere collega's, die naar ik meen bovenstaande gaarne zullen bevestigen. Heerlen: A. Haak. |

Op 21 september 1979 verscheen in de krant een reactie op deze ingezonden
brief, van Floor van Wersch, de jongste zoon van Ferd. van Wersch.
Een deel uit de brief:
| (...) Speciaal wat betreft zijn aandeel in de bevrijding van Heerlen weet ik van hem het volgende. Bij hun aftocht staken de Duitsers september 1944 het Heerlense station in brand met de bedreiging erbij, dat ieder, die zou willen trachten deze brand te blussen met de dood bestraft zou worden. Geheel op eigen verantwoording en dus met gevaar voor eigen leven rukte mijn vader niettemin uit met de vrijwillige brandweer, waarvan hij de commandant was, en liet het vuur doven nog onder het oog van de Duitsers. De vrijwillige brandweer heeft hem daarvoor later een bronzen borstbeeld aangeboden (...) |
Op dinsdag 25 september 1979 reageerde J. Bruggeman uit Hoensbroek.
Een deel uit die ingezonden brief:
| Op het verhaal van de heer Van Wersch, docent geschiedenis wil ik graag reageren met de zuivere waarheid. In september 1944 stond ik op die bewuste dag als 15-jarige jongen bij het Royal Theater. Plotseling hoorde ik schieten uit de richting Sarool. Met grote snelheid raasde een motor met zijspan richting station. Een Duitse soldaat gooide, staande in het zijspan, een handgranaat op het station en daarna, over mijn hoofd heen, een handgranaat door de ruiten van het Royal Theater. Even later kwam de vrijwillige brandweer aangemarcheerd uit de richting Stationsstraat met als commandant uw vader naar ik nu vernam. (Het was een zeer corpulent persoon). Hierna had uw vader een gesprek van zeer korte duur met een van de Duitsers en maakte toen rechtsomkeert en marcheerde weer in de richting zoals ze gekomen waren, maar nu in sneller tempo. Het station is dus niet geblust door uw vader met zijn manschappen, maar ik heb zelf gezien, dat spoorwegpersoneel deze brand geblust heeft. (...) |

Donderdag 27 september 1979, Floor van Wersch
Enkele regels:
| Driemanschap?
(4 en slot) (...) Wat de kwestie betreft volgende.
|
Nadat deze ingezonden brief verschenen was, werd Floor van Wersch thuis door verschillende personen gebeld:
De eerste was de heer Quaedvliegh (oudambtenaar van de Oranje Nassau mijn 1). Hij zei dat hij de heer Lange goed gekend heeft en dat hij inderdaad ondercommandant van de vrijwillige brandweer was. Maar waar hij woonde wist hij niet.
De tweede was Nikla Gielen. Hij was, als lid van de beroepsbrandweer, getuige van de brand in het station. Zijn verhaal bevestigde dat Ferd. van Wersch het brandende station aan het blussen was. Hij vertelde: Er kwam een bejaarde Duitse soldaat met het geweer over de schouder en vroeg aan uw vader: "Wo sind meine Kameraden?", waarop vader antwoordde: "Jong, zet dat geweer weg en gank te voot nao diene Heimat. Dae sind dien Kameraden." Daarop zette die soldaat dat geweer weg en wandelde weg.
Een derde telefoontje was van de heer Collombon, destijds lid van de vrijwillige brandweer die aan Floor bevestigde dat zijn vader de brand geblust had. Tevens zei hij dat de Duitsers de wissels op het station hadden laten springen en dat dat waarschijnlijk de knallen waren die de jonge Bruggeman toen hoorde.
Limburgs Dagblad, Zaterdag 29 september 1979. Reactie van de heer J.
Collombon uit Heerlen
| Driemanschap?
Als oud-lid van de toenmalige vrijwillige brandweer wil ik reageren op het commentaar van de heer J. Bruggeman uit Hoensbroek. Wat hij op die bewuste bevrijdingsdag ook gezien mag hebben, blijkbaar niet de heer van Wersch. Dit was geen corpulent persoon, maar een kleine schriele man. Ik heb persoonlijk de straalpijp in handen gehad die de eerste waterstraal leverde om de brand in het station te blussen. Bovendien zijn wij niet aangemarcheerd gekomen (zeker niet met onze slangen, pompen enz. op onze nek), maar met de oude Mercedes Benz, onder commando van de heer van Wersch. |
Uit het archief van mijn vader kwam het volgende artikel dat hij bewaard had.
De nooit gewaardeerde heldendaad van Ferdinand
Beste
„Lange Jan",
OOK hier in Amsterdam wonen abonnee's van Uw blad die van veraf zeer
intens meeleven met de ontwikkelingen en gebeurtenissen van de oude Mijnstreek.
NU LEES ik daar onder de rook van de Lange Jan van verleden week zaterdag
dat de huidige Kerkraadse brandweer-commandant de schuld om het behoud
van het oude stationsgebouw op zich heeft genomen.
NU WIL ik hier na al die jaren niet gaan redetwisten over wat en waar.
Het was in die dagen toch al zo'n grote janboel in Heerlen. Ik meen toch
wel dat hiet ergens een beetje onrecht werd aangedaan aan een groots figuur
destijds, de heer Ferdinand van Wersch zaliger gedachtenis.
IK KAN het mij nog zeer goed herinneren. Het was op die zondagochtend
tijdens de Hoogmis in de St. Pancratiuskerk. Wij waren toen wat men heden
teenagers pleegt te noemen en konden door het groene glas in lood naast
de tochtdeuren tijdens de H. Mis een vernietigings-compagnie der bezetters
door de Oranje Nassaustraat zien trekken.
Na de kerkgang vernamen wij van opgewonden mensen dat men bezig was
het postkantoor en ook het stationsgebouw in brand te steken. Nieuwsgierig
en het gevaar niet beseffend, zoals je op die leeftijd nu eenmaal bent,
renden wij erop af en konden de vlammen reeds bij Durlinger op de hoek
uit het stationsgebouw zien optraden.
Op hetzelfde moment dat de Duitsers de benen namen in de richting Saroleastraat,
hing „der Ferdinand" van Wersch als een woedende stier uit het raam boven
zijn schilders- en behang-zaak in die straat en even later stoof hij als
een raket, gekleed in brandweerkleding (hij was 't hoofd der vrijwillige)
in de richting van het station. Wij achter hem aan. Ergens achter het Scala-theater
werd een karretje met brandweerslangen uitgehaald. Wij waren er ooggetuigen
van hoe de eerste stralen hoogstpersoonlijk daar „der Ferdinand van Wersch"
op het vuur werden gericht.
LATER hebben we er in Heerleen nog vaak om gelachen en hebben hem dit
hedendaagse „cultuurbezit" nog menigmaal in de schoenen geschoven".
Amsterdam. G. S.
Uit: de Volkskrant (helaas zonder datum)
Tenslotte
In een van bovenstaande artikelen werd gesproken over het borstbeeld
van Ferd. van Wersch.
![]() |
Dit borstbeeld van Ferdinand werd gemaakt door de Heerlense beeldhouwer
H. Stumpf in 1946 ter ere van Ferdinands zeventigste verjaardag in
opdracht van de vrijwillige brandweer Heerlen. Hij werd afgebeeld in zijn
uniform waarop de Belgische onderscheidingen te zien zijn. Al vanaf de
oprichting van de vrijwillige brandweer op 8 april 1908 was hij lid daarvan.
Tussen 1939 en 1945 was hij luitenant en commandant van die vrijwillige
brandweer en moest veel uitrukken als Heerlen weer eens gebombardeerd was.
In 1970 verhuisde de weduwe Van Wersch en het huis werd ontruimd. Een opkoper kwam langs om mee te nemen wat zou overblijven, maar hij nam dat wel erg letterlijk want alle spullen verdwenen, zo ook dit borstbeeld. Pas in 1979 kwam men erachter dat het borstbeeld in een café in Mheer stond tussen de flessen drank. Ferdinand hield trouwens wel van een borrel en een betere plek kon hij zich niet gewenst hebben. Gelukkig gaf de cafébaas het beeld terug aan een zoon van Ferdinand. Het borstbeeld is nu in familiebezit.
|
|
Terug naar
Ferdinand van Wersch |
Levensverhalen
index |