Lijkrede op 18 Januari
1938,
uitgesproken door Mr.
Dr.
Waterschoot van der
Gracht,
bij de begrafenis van
Trautje Van Wersch.
De
requiem-zangen zijn weggeklonken, het orgel zwijgt, de Priesters zijn vertrokken.
Zij hebben de doode het Rust in Vrede toegewenscht en nog kort te voren
haar klacht van JOB in den mond gelegd: “Gedenk mijner, tenminste Gij die
hier mijn vrienden waart. Want de hand des Heeren heeft mij getroffen.”
Neen,
haar vrienden vergeten haar niet, zij staan hier om dit graf een groote
menigte van alom uit deze streek samengevloeid.
Over
het algemeen houdt de Kerk niet van redevoeringen op het kerkhof, waarbij
zoo vaal volle klanken over den Godsakker rollen, inplaats van het
zoo hoog noodige gebed. Bij dit graf moet men echter voor mij een uitzondering
maken, want ik heb iets te zeggen, dat niet hol en ledig is, geen ontheiliging
van de majesteit van den dood van dit kind, doch een gebed. Mogelijk hebben
zommigen van de hier aanwezigen zich verwonderd, waarom wij heden een eenvoudig
kind uit den mijnwerkersstand ten Grave gedragen met al de plechtigheid
waartoe onze mooie dorpskerk in staat is, met een kerkelijke praal die
anders helaas schijnt voorbehouden voor hen die de wereld “groot” noemt
of de zeer bemiddelden.
Toen
ik deze begrafenis aan den Pastoor van Eis kwam voorstellen had ik hiervoor
twee gewichtige reden. De eerste is, dat in ons huis het oude Christelijke
gebruik wordt hoog gehouden, dat wie daar arbeid een HUISGENOOT is. Nu
dit door ons allen zo zeer geliefde kind zoo tragisch uit onze kring werd
weggerukt willen wij haar de eer bewijzen van een dochter van het gezin.
De tweede reden is, wanneer de poorten der eeuwigheid zijn opengezwaaid
en wij staan voor den dood, alle aardsche standsverschil of bezit voor
goed een einde neemt en niets anders gelden blijft, dat wat waarde bezit
in het oog van God. Het kind uit den arbeiden stand, dat wij heden begraven
staat op dit oogenblik, terwijl wij haar gedenken voor God en dat niet
met ledige handen. Dat kunnen wij hare huisgenooten, haar Pastoor, haar
ouders en gezinsleden en tallooze vrienden de Zusters uit het Ziekenhuis
getuigen. Daarom behoort hetgeen deze reine ziel, hier gebrand en geschonden
achterliet, maar wat op den jongsten dag weer met den bloei van eeuwigdurende
jeugd verrijzen zal, worden te rusten gelegd met alle plechtigheid waarover
de wereld beschikken kan. Dit kind is door haar jonge leven gegaan met
de last van een levenslustige vreugdevolle heiligheid, dat zich uitte in
haar Godsvrucht, grooten moed, plichtvervulling en offervaardigheid, die
haar vrienden zonder tal deed verwerven en die hier zijn samengekomen.
Zij juichte voor haar God als een zingend vogeltje, in een bloesemtuin.
Wie hulp noodig had, hetzij mijn echtgenoote in een zware ziekte, die haar
nog heden belet hier aanwezig te zijn, hetzij de hulpbehoevende aan de
deur, al haar huisgenoten, zij gaf allen dezelfde opbeurende dienstvaardigheid,
die zij tevoren aan haar Vader had gegeven, toen een uiterst pijnlijke
ziekte hem schier tot vertwijfeling bracht en tot een invalide maakte.
Eigen lijden is ook dit kind niet gespaard gebleven, noch in lange
ontmoedigende ziekte die zij moest doormaken, noch in deze laatste levensdagen
na de plotselinge ramp toen haar laatste levensdagen haar vagevuur op aarde
werden.
Bij
alles bleef zij altijd het glimlachende lieve kind dat nimmer een klacht
uitte, al moest zij toegeven dat zij vol terende pijnen leed, dat meer
aan anderen dacht dan aan hetgeen zij zelf leed.
Wij
mogen dan ook vertrouwen dat dit laatste lijden, dat zoo voorbeeldig gedragen
werd, haar laatste loutering is geweest, en dat zij reeds staat voor GODS
troon met den verheerlijkten glimlach van haar aardsche leven en bid voor
allen voor wie zij beloofde daarboven te zullen bidden. Voor haar diepbedroefde
ouders, hare huisgenooten en vrienden moet deze gedachte een groote troost
zijn. Dit kind heeft veilig haar eindbestemming bereikt, die wij in dit
aardsche leven moeten verwerven. In GODS rechtvaardige beschikking, dat
deze onvatbare waardevolle prijs niet geheel en al om niet wordt toegekend.
Wat die zalegheid eigenlijk beteekent, kunnen wij hier zelfs niet bevroeden.
Geen
oog heeft ooit gezien, geen oor heeft ooit gehoord het kan zelfs niet in
de gedachte van den mensch opkomen, wat God bereid heeft voor hen die HEM
dienen.
Onze
groote Nederlandsche dichter JOOST VAN DEN VONDEL die hier uit deze streken
van Keulen afkomstig is, heeft eens een versje gemaakt op een gestorven
kind, dat ook hier zoo schoon van toepassing is: “Hoe het bij GOD is? In
den Hemel daar omhoog en al de wereld hier beneden, aanziet met een luimig
oog.”
Omdat
wij dit alles zoo diep voelden, wilden wij dit heldhaftig kind zoo heel
bijzonder eeren in deze begrafenis.
Als
we haar het “rust in vrede” hebben toegewenscht en het onze vader gebeden
hebben, gaan wij bewogen heen, maar mogen gerustelijk stillekens bij ons
zelven prevelen:
LIEVE TRAUTJE BID VOOR
ONS |