Maria Gertruida (Trautje) van Wersch (1912 -1938) had een kort leven. Zij werd slechts 25 jaar. Trautje was  keukenmeisje op het kasteel Wijlre. In januari 1938 wilde zij een olielamp bijvullen. Die viel waardoor de vlammen haar te pakken kregen. Mensen wisten de vlammen te doven. Zij werd naar het ziekenhuis in Heerlen vervoerd waar zij aan haar verwondingen stierf. De aangifte van haar overlijden werd door de kasteelheer Antoon Jozef Maria Van Waterschoot Van der Gracht gedaan die chef Staatstoezicht mijnen was.

Bij haar begrafenis werd een grafrede uitgesproken door de kasteelheer. Die tekst is bewaard gebleven.  Hieronder volgt deze tekst:
 

Lijkrede op 18 Januari 1938,
uitgesproken door Mr. Dr.
Waterschoot van der Gracht,
bij de begrafenis van
Trautje Van Wersch.

    De requiem-zangen zijn weggeklonken, het orgel zwijgt, de Priesters zijn vertrokken. Zij hebben de doode het Rust in Vrede toegewenscht en nog kort te voren haar klacht van JOB in den mond gelegd: “Gedenk mijner, tenminste Gij die hier mijn vrienden waart. Want de hand des Heeren heeft mij getroffen.”
    Neen, haar vrienden vergeten haar niet, zij staan hier om dit graf een groote menigte van alom uit deze streek samengevloeid.
    Over het algemeen houdt de Kerk niet van redevoeringen op het kerkhof, waarbij zoo vaal  volle klanken over den Godsakker rollen, inplaats van het zoo hoog noodige gebed. Bij dit graf moet men echter voor mij een uitzondering maken, want ik heb iets te zeggen, dat niet hol en ledig is, geen ontheiliging van de majesteit van den dood van dit kind, doch een gebed. Mogelijk hebben zommigen van de hier aanwezigen zich verwonderd, waarom wij heden een eenvoudig kind uit den mijnwerkersstand ten Grave gedragen met al de plechtigheid waartoe onze mooie dorpskerk in staat is, met een kerkelijke praal die anders helaas schijnt voorbehouden voor hen die de wereld “groot” noemt of de zeer bemiddelden.
    Toen ik deze begrafenis aan den Pastoor van Eis kwam voorstellen had ik hiervoor twee gewichtige reden. De eerste is, dat in ons huis het oude Christelijke gebruik wordt hoog gehouden, dat wie daar arbeid een HUISGENOOT is. Nu dit door ons allen zo zeer geliefde kind zoo tragisch uit onze kring werd weggerukt willen wij haar de eer bewijzen van een dochter van het gezin. De tweede reden is, wanneer de poorten der eeuwigheid zijn opengezwaaid en wij staan voor den dood, alle aardsche standsverschil of bezit voor goed een einde neemt en niets anders gelden blijft, dat wat waarde bezit in het oog van God. Het kind uit den arbeiden stand, dat wij heden begraven staat op dit oogenblik, terwijl wij haar gedenken voor God en dat niet met ledige handen. Dat kunnen wij hare huisgenooten, haar Pastoor, haar ouders en gezinsleden en tallooze vrienden  de Zusters uit het Ziekenhuis getuigen. Daarom behoort hetgeen deze reine ziel, hier gebrand en geschonden achterliet, maar wat op den jongsten dag weer met den bloei van eeuwigdurende jeugd verrijzen zal, worden te rusten gelegd met alle plechtigheid waarover de wereld beschikken kan. Dit kind is door haar jonge leven gegaan met de last van een levenslustige vreugdevolle heiligheid, dat zich uitte in haar Godsvrucht, grooten moed, plichtvervulling en offervaardigheid, die haar vrienden zonder tal deed verwerven en die hier zijn samengekomen. Zij juichte voor haar God als een zingend vogeltje, in een bloesemtuin. Wie hulp noodig had, hetzij mijn echtgenoote in een zware ziekte, die haar nog heden belet hier aanwezig te zijn, hetzij de hulpbehoevende aan de deur, al haar huisgenoten, zij gaf allen dezelfde opbeurende dienstvaardigheid, die zij tevoren aan haar Vader had  gegeven, toen een uiterst pijnlijke ziekte hem schier tot vertwijfeling bracht en tot een invalide maakte. Eigen lijden is ook dit  kind niet gespaard gebleven, noch in lange ontmoedigende ziekte die zij moest doormaken, noch in deze laatste levensdagen na de plotselinge ramp toen haar laatste levensdagen haar vagevuur op aarde werden.
    Bij alles bleef zij altijd het glimlachende lieve kind dat nimmer een klacht uitte, al moest zij toegeven dat zij vol terende pijnen leed, dat meer aan anderen dacht dan aan hetgeen zij zelf leed.
    Wij mogen dan ook vertrouwen dat dit laatste lijden, dat zoo voorbeeldig gedragen werd, haar laatste loutering is geweest, en dat zij reeds staat voor GODS troon met den verheerlijkten glimlach van haar aardsche leven en bid voor allen voor wie zij beloofde daarboven te zullen bidden. Voor haar diepbedroefde ouders, hare huisgenooten en vrienden moet deze gedachte een groote troost zijn. Dit kind heeft veilig haar eindbestemming bereikt, die wij in dit aardsche leven moeten verwerven. In GODS rechtvaardige beschikking, dat deze onvatbare waardevolle prijs niet geheel en al om niet wordt toegekend. Wat die zalegheid eigenlijk beteekent, kunnen wij hier zelfs niet bevroeden.
    Geen oog heeft ooit gezien, geen oor heeft ooit gehoord het kan zelfs niet in de gedachte van den mensch opkomen, wat God bereid heeft voor hen die HEM dienen.
    Onze groote Nederlandsche dichter JOOST VAN DEN VONDEL die hier uit deze streken van Keulen afkomstig is, heeft eens een versje gemaakt op een gestorven kind, dat ook hier zoo schoon van toepassing is: “Hoe het bij GOD is? In den Hemel daar omhoog en al de wereld hier beneden, aanziet met een luimig oog.”
    Omdat wij dit alles zoo diep voelden, wilden wij dit heldhaftig kind zoo heel bijzonder eeren in deze begrafenis.
    Als we haar het “rust in vrede” hebben toegewenscht en het onze vader gebeden hebben, gaan wij bewogen heen, maar mogen gerustelijk stillekens bij ons zelven prevelen:

LIEVE TRAUTJE BID VOOR ONS

In het Limburgsch Dagblad van 17 januari 1938 werden slechts vier regels aan haar dood gewijd:
Meisje aan brandwonden overleden:
Mej. M.G. van Wersch, uit Eijs-Wittem die keukenmeisje was op het kasteel Wijlré en aldaar vorige week ernstige brandwonden opliep, is in het ziekenhuis in Heerlen aan de gevolgen daarvan overleden..

Trautje van Wersch had a short life. Only 25 years old. She was a maid at the castle of Wijlre in south part of Limburg. In January 1938 she wanted to fill the oillamp. But the flames got to her. With severe burns she was taken to the hospital at Heerlen where she died. The master of the castle: mister Watersloot van der Gracht himself held a in memoriam at her funeral in the church. His speech was saved and I transcripted it here above in Dutch.
 

Index