JURIST IN PROEFSCHRIFT:
,,Macht instellingen oncontroleerbaar".
 
Van onze correspondent
UTRECHT  - Er moet radicaal een einde komen aan de voor een deel ongecontroleerde macht van de besturen van de ruim 15 duizend particuliere instellingen in onderwijs, gezondheidszorg en welzijnswerk. De besturen van deze instellingen moeten voortaan evenredig uit gebruikers, personeel en onafhankelijke buitenstaanders worden samengesteld. Waar vrijwilligers een belangrijke taak vervullen met name in het club en buurthuiswerk  moeten ook dezen in het bestuur vertegenwoordigd zijn. De overheid moet voor de samenstelling van de besturen bindende richtlijnen geven.
Dit is kort samengevat de mening van de jurist mr. P. van Wersch die vandaag aan de Nijmeegse Katholieke Universiteit promoveert op een proefschrift over de Democratisering van non-profit Instellingen. Van Wersch doelt hierbij onder meer op bijzondere scholen, bejaardenoorden, ziekenhuizen, kruisverenigingen, woningcorporaties, kinderbescherming en verpleeghuizen. De Nijmeegse jurist meent dat deze instellingen (met meer dan een half miljoen personeelsleden) een geweldige macht vormen.
 

Invloed
De overheid bemoeit zich tot nu toe echter niet met de samenstelling van de besturen van al deze particuliere instellingen. Alleen al daarom is het dringend gewenst dat er duidelijke afspraken komen over de wijze waarop het bestuur van die instellingen gekozen wordt. Democratisering van de besturen is noodzakelijk, aldus Van Wersch. Volgens hem is er in Nederland sprake van een unieke situatie. Nergens bestaat er zo'n uitgebreid particulier initiatief. Nergens ook is deze sector zo sterk verdeeld in bij voorbeeld christelijke en algemene instellingen.
Van Wersch signaleert dat deze sterke verzuiling steeds meer aan invloed verliest. De ontkerkelijking leidt er toe dat steeds meer mensen nauwelijks belang hechten aan die signatuur. Maar doordat de bestuursleden meestal hun eigen opvolgers benoemen heeft daar de verzuiling nog nauwelijks aan kracht verloren. Daar komt nog bij dat de overheid deze vroeger door particulieren opgericht instellingen bijna zonder uitzondering voor honderd percent is gaan financieren.
Er is nog een reden waarom mr. Van Wersch democratisering van de besturen noodzakelijk vindt. De instellingen zijn in veel gevallen enorm gegroeid en bij het werk zijn steeds meer beroepskrachten ingeschakeld. De instellingen zijn dus met hun tijd mee gegaan, maar in de samenstelling van de besturen is niets veranderd." Dit heeft veelvoudig conflicten veroorzaakt, waarvan de Dennendalaffaire de meest bekende is.
In zijn uitgebreide proefschrift (dat in handelsuitgave bij Uitgeverij Samson verschijnt) schetst mr. Van Wersch een model dat de besturen in de non-profit sector in een wat meer eigentijds jasje kan steken. Kern van het voorstel van Van Wersch is dat gebruikers (patiënten, cliënten, ouders van schoolkinderen) zitting moeten krijgen in het bestuur. Ook de samenleving (die opdraait voor bijna alle kosten van deze sector) moet op de een of andere manier en vertegenwoordigingin het bestuur krijgen.

Van Wersch erkent dat het allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan is. Enkele problemen: hoe kun je (tijdelijke) patiënten in een ziekenhuis invloed op het bestuur geven? Hoe moet de vertegenwoordiging geregeld worden van patiënten in de psychiatrie en zwakzinnigenzorg? Bestaat niet het gevaar dat het bijzondere (katholieke of christelijke) karakter van scholen op de tocht komt te staan wanneer buitenstaanders in het bestuur komen? Hoe kan een al te grote afhankelijkheid van de overheid voorkomen worden?
In zijn proefschrift probeert Van Wersch voor de verschillende problemen oplossingen aan te dragen. Zo wil hij bij de besturen van instellingen in de gezondheidszorg verenigingen of belangengroepen van patiënten en cliënten betrekken. Dit is nodig wanneer er geen directe vertegenwoordiging van de gebruikers mogelijk is.
Ook de vertegenwoordiging van het personeel is niet zonder problemen. Er kan een rolconflict ontstaan omdat personeelsleden in het bestuur min of meer hun eigen werkgever worden. Onder meer om die reden staat de vakbeweging zeer aarzelend tegenover dergelijke voorstellen. Van Wersch hecht echter sterk aan het principe, dat het personeel direct invloed kan uitoefenen op het beleid van het bestuur van de instelling waar men werkzaam is. De voordelen van directe vertegenwoordiging moeten niet onderschat worden, aldus Van Wersch.

Over de vertegenwoordiging van de samenleving in de besturen schrijft hij dat het aanbeveling verdient dat een gemeenteraad of wijkraad leden van het bestuur benoemt. De bestuurders zijn verder overigens geen verantwoording schuldig aan gemeente of wijkraad. Dan zou er namelijk een te grote afhankelijkheid dreigen. Wanneer het om regionaal werkende instellingen gaat kunnen Provinciale Staten onafhankelijke bestuurders benoemen.
Mr. Van Wersch ziet deze bestuurders als vertegenwoordigers van de samenleving maar ook als representanten van toekomstige gebruikers. Bovendien kunnen ze een „brugfunctie" vervullen bij conflicten tussen gebruikers en personeel. Ten slotte kan met deze bestuurders de nodige bestuurlijke en financieel economische deskundigheid binnen gehaald worden. Dit is vooral bij grote en ingewikkelde instellingen van groot belang.
Van Wersch benadrukte in een toelichting op de dissertatie dat het geenszins zijn bedoeling is het gehele particulier initiatief om zeep te helpen. Integendeel. Het particulier initiatief kent vele nadelen, maar vormt ook een nuttig tegenwicht tegen de macht van de overheid. „Het particulier initiatief moet gehandhaafd worden. Maar dan dient wel een democratische besluitvorming gewaarborgd te worden".
Hij erkent dat zijn voorstellen niet onomstreden zijn. In politieke kring (met name het CDA) is fikse weerstand te verwachten. Illustratief is dat door de regering ingestelde commissies al vele jaren aan het studeren zijn, maar dat een afgerond standpunt van de regering nog steeds niet op tafel ligt. Het kabinetVan Agt heeft wel in de regeringsverklaring laten weten ,,met voortvarendheid" aan de zaak te willen werken. Maar als het op concrete uitspraken aankomt „houdt de regering nogal wat slagen om de arm," aldus mr. Van Wersch.

de Volkskrant 9 november 1979


terug naar Artikelen