Pas in augustus 1971 werden er in de Tweede Kamer vragen gesteld aan de minister van Justitie Van Agt over Loek van Wersch die in mei 1967 door de Leidse politie mishandeld werd. Zoals in de Leidsche Courant van september 1971 stond:
mei 1967
Per damesfiets keerde drs. Van Wersch in de nacht van 12 op 13 mei
1967 naar huis terug van een introductieavond voor jonge apothhekers in
Leiden. "Het was vlak voor mijn afstuderen. Ik had een redelijke borrel
op, maar was niet dronken. Ik was dicht bij huis en in mijn jolige bui
slalomde ik geheel links van de verlaten Wittsesingel tussen de bomen.
Tegemoet komt een agent. "Wat doet u hier? Zet die fiets tegen de muur,
stap in, mee naar het bureau." In mijn vriendelijke bui gaf ik aan dit
alles spontaan gevolg. In het bureau vielen meteen al deuren achter me
dicht. Ik werd gesommeerd een kamer binnen te gaan. Dat weigerde ik. Ik
wilde eerst een verklaring voor dit alles. Geen verklaring, maar prompt
wel klappen in mijn gezicht. Ik probeerde die man van me af te zetten en
toen begon een andere agent zich met de zaak te bemoeien. Ze zeiden lelijke
dingen in de trant van: Die kleine rotapen van studenten moeten we maar
eens mores leren. Het was in de tijd van de studentenrellen in Amsterdam
en in de dagen dat onder de student in Leiden vaak fietsen gestolen werden.
Ik werd teruggedrongen in een kamertje waar zich acht à negen agenten
bevonden. Twee hielden me vast, anderen takelden me toe, half ontkleed
-zonder enige verhoor- werd ik in de cel gegooid. De volgende ochtend werd
mij een proces-verbaal voorgelezen, waaruit bleek dat ik verdacht was van
diefstal van een fiets. Ondanks herhaaldelijk aandringen was mijn vrouw
nog steeds niet in kennis gesteld van mijn verblijf op het bureau. Om half
elf werd zij erbij gehaald en ze herkende de bewuste fiets als mijn eigendom.
Ik werd in vrijheid gesteld."
Loek van Wersch diende vervolgens een klacht in tegen hoofdagent Joseph Hoogervorst (48 jaar). De Leidse inspecteur Oudman maakte daarvan een proces-verbaal. Naar aanleiding daarvan kwam Loek bij de Haagse officier van Justitie mr. A.W. Rosingh. Die vertelde hem dat de procureur-generaal opdracht aan de Rijksrecherche gegeven had om het geval te onderzoeken.
Juli 1967
Er was nog niets gebeurd en dus was er geen reactie gekomen. Loek schreef
een brief aan de procureur-generaal dat hij een klacht zou indienen bij
het Gerechtshof in Den Haag. Een kopie ging naar mr. Rosingh en naar
Van Agt, toenmalige minister van Justitie. Als gevolg daarvan kon Loek
naar het politiebureau in Leiden komen en daar wees hij de betreffende
agenten aan. Zij ontkenden alles. Kortom, hij kwam geen stap verder.
December 1967
Er werd dus maar weer een herinneringsbrief gezonden. Wellicht dachten
ze dat het wel dood zou bloeden?
November 1968
Meester Rosingh stuurt opeens een brief waarin
staat dat er geen reden tot vervolging is omdat het bewijs dat de hoofdagent
hem geslagen zou hebben, niet geleverd is en dat strafvervolging
van de betrokken agent daarom achterwege gebleven is.
Maart 1969
Twee jaar later schreef het Gerechtshof dat zij
ontvankelijk was voor het beklag dat de hoofdagent zich schuldig gemaakt
had en dat er strafvervolging tegen de hoofdagent zou plaatsvinden.
December 1970 en april 1971
Loek stuurt een brief naar de minister van Justitie
waarop geen antwoord kwam, dus enkele maanden later weer een brief naar
de officier van Justitie met de vraag wanneer de strafvervolging plaats
vindt.
Juli 1971
De procureur-generaal laat weten dat het dossier
zoek is. Hij schrijft wel aan Van Wersch dat hij bereid is om de zaak mondeling
met hem te bespreken en biedt voor de gang van zaken zijn verontschuldigingen
aan. Het dossier werd in augustus 1971 weer gevonden.
Augustus 1971
Tweede Kamerlid Wiebenga (PSP) neemt vervolgens
het stokje over en stelt schriftelijke vragen aan de Regering. Hij vraagt
om een reactie over het tijdsverloop van het geheel en het tijdsverloop
tussen de uitspraak van het Hof en het niet instellen van de vervolging.Verder
vraagt Wiebenga waarom het zo lang moet duren voordat de minister antwoord
geeft (juli1967 - maart 1969).
September 1971
Minister Van Agt antwoordt ondermeer dat tussen
de beeindiging van het onderzoek door de rijksrecherche en het bericht
van de Officier van Justitie aan klager dd 4 november 1968 blijkt te wijten
aan administratieve moeilijkheden, goeddeels te verklaren doordat het dossier
zoek is geraakt. (...) Juister ware het geweest, indien klager tussentijds
van de stand van zaken op de hoogte was gesteld. (...) Vorig jaar is de
regel ingesteld (om tussentijds de beklagers te informeren). Van Agt
schrijft verder dat doordat het dossier nogmaals was zoekgeraakt het het
bevel van het Gerechjtshof onuitgevoerd is gebleven. De Procureur-Generaal
heeft de heer Van Wersch op 9 augustus j.l.mede namens de Officier van
Justitie van het arrondisementsparket zijn verontschuldigingen aangeboden
en in die brief de vraag geopperd of het "rechtmatig en doelmatig" was
deze oude zaak "op te halen." Hij schreef dat hij gaarne bereid was mondeling
met klager van gedachten te wisselen en klager te ontvangen.
Van Agt besluit zijn schrijven aan Wiebenga dat
hij, evenals de procureur-generaal, van oordeel is dat ten zeerste
te betreuren valt dat niet onverwijld na de beslissing van het gerechtshof
tot vordering van een gerechtelijk vooronderzoek is overgegaan.(...) De
gemaakte administratieve fouten zijn ernstig.
De laatste regels luidden dat de procureur-generaal
contact heeft opgenomen met het hoofd van het arrondisementparket zodat
het parket voortaan een doeltreffender voortgangscontrole dient in te voeren.
November 1972
Dan denk dat je kous af is. Maar wederom stelt
Wiebenga schriftelijke vragen aan Van Agt. Zijn eerste vraag luidt of de
minister het weet dat er nog geen uitvoering aan de vervolging is geweest
van de zaak die inmiddels 5,5 jaar geleden is gebeurd? Kan de Minister
mededelen waarom de officier van justitie nog steeds niet to dagvaarding
is overgegaa, hoewel het gerechtelijk vooronderzoek -dat na zeer veel aandrang
eindelijk in het najaar 1971 plaatshad, reeds lang is afgerond? Wiebenga
vraagt ook of de minister garanties kan geven dat de uitspraak van het
Hof snel wordt uitgevoerd.
Januari 1973
Van Agt antwoordt dat de rechter commissaris
het vooronderzoek in april 1972 had afgesloten. Hij had toen de officier
van justitie en aan de verdachte hierover geinformeerd. De officier van
justitie verzuimde de verdachte binnen de gestelde te informeren, waardoor
het termijn verlopen was en de verdachte in juli 1972 aan de rechtbank
verzocht de zaak als beeindigd te beschouwen. De officier vroeg de rechtbank
nog eenmaal een nieuwe termijn te stellen waarin hij de verdachte zou
kunnen informeren. De rechtbank stelde inderdaad een nieuw termijn vast
en het verzoek van de verdachte was afgewezen.
De verdachte werd in augustus 1972 geinformeerd.
Op 16 augustus 1972 werd de zaak onherroepelijk waardoor er geen verdere
vervolging kwam. Het Hof heeft bij beschikking van 25 september 1972
daarin bewilligd. De kennisgeving van niet verdere vervolging is op 12
oktober 1972 aan de verdachte betekend.
Van Wersch kreeg in november 1972 een afschrift
van die beschikking.
Van Agt besloot: Tot zover het overzicht van
de gang van zaken waarbij ik het volgende wil opmerken.
De officier van justitie heeft tegenover het
Hof al zijn oordeel uitgesproken dat het gerechtelijk vooronderzoek geen
nieuwe gezichtspunten had opgeleverd op grond waarvan met vrucht een verdere
strafvervolging kon worden ingesteld. Dit standpunt waarmede het Hof zich
na kennisneming onder meer van de stukken van het gerechtelijk vooronderzoek
heeft verenigd, roept echter de vraag op in hoeverre het tijdsverloop sinds
het plegen van het feit en dus het tempo waarin deze zaak is behandeld,
dat standpunt van het openbaar ministerie tot gevolg heeft gehad.
Ik wil op dit punt, zonder te kunnen ingaan
op een zaak die definitief is gesloten, met nadruk zeggen dat ik het ten
zeerste betreur dat in deze zaak door de officier van justitie te 's-Gravenhage
niet de vereiste zorgvuldigheid aan de dag is gelegd.
Binnenkort zal ik in aanwezigheid van de procureur-generaal
bij het gerechtshof te 's-Gravenhage een gesprek hebben met de officier
van justitie die de zaak behandelde.
Februari 1973
"Politie
moet schrijven"
Driessen (KVP) deponeerde op de tafel van B. en W. een door alle fracties
ondertekende motie, dat de politie alle klachten van de burgerij moet vastleggen,
zodat de leiding alles kan zien. De klager krijgt een doorslag. Kortom:
De politie moet gaan schrijven. Het college houdt de optie voor pre-advies
na de behandeling in een in te stellen raadscommissie voor politionele
zaken,
Burgemeester Vis is niet van plan het dossier Van Wersch te heropenen
om te bekijken of de hoofdagent, die er enkele janren geleden van werd
beschuldigd te hebben geslagen (Driessen sprak van; "Er maar op los knuppelen"),
een handeling heeft gepleegd, die in aanmerking komt voor disciplinaire
maatregelen. Justitie heeft de zaak gesloten.
bron: leidsch dagblad 7 febr 1973
Koppen uit de kranten van 1973
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
|