Hub van Wersch : ‘Met de problemen van vroeger heb ik niets te maken’

Wethouders van buiten: een jaar later
Een jaar geleden verschenen ze op het politieke tapijt. Hoe bevalt het? Gert van Engelen vroeg belet bij twee van deze bestuurders, in De Bilt en Alphen aan den Rijn.

Nationale en internationale politiek konden Hub van Wersch (1948, Kerkrade) doorlopend ernstig beroeren, maar bij lokale politiek trok hij ferm de grens: geen belangstelling. Een wethouderschap was dan ook niet in Frage. Ofschoon hij al dertien jaar in Alphen aan den Rijn woonde en al twintig jaar trouw PvdA-lid was, weerde hij zich politiek niet. Van Wersch, partner en consultant van een communicatieadviesbureau (Quorum) dat overheden bijstaat en tussen 1995 en 1998 directeur voorlichting van de gemeente Den Haag, was niet ‘politiek actief’, wél ‘politiek betrokken’, maar dan voorbij de gemeentegrenzen.
Op slag veranderde zijn weidse horizon in februari 2002. Een delegatie van het afdelingsbestuur vroeg hem zich kandidaat te stellen als wethouder van buiten. Waarom zij hém benaderden, weet hij werkelijk niet. ‘Ik ken hun afwegingen niet. Ja, ze kenden me, ze wisten wat ik deed.’ Vermoedelijk probeerde de PvdA-Alphen hem te werven, omdat intern niemand stond te popelen. ‘De PvdA hier heeft een roerige, heel turbulente periode achter de rug’, licht Van Wersch toe, ‘met grote conflicten. Er was hier van alles gebeurd. Schijnbaar had niemand de dringende behoefte om wethouder van de PvdA te worden.’
Achteraf, zegt Van Wersch, was de timing van de PvdA-Alphen perfect. ‘Als er ooit een goed moment was voor het aantrekken van een wethouder van buiten in zo’n situatie, dan was het toen. Ik was namelijk niet belast door het verleden en kon dus onbevangen een nieuwe start maken.’ Maar verder verliep de besluitvorming aan zijn kant niet zo vlot. De PvdA deed haar verzoek zo kort voor de verkiezingen, omdat zij per se vóór die verkiezingen wilde bekendmaken wie haar kandidaat-wethouder was. Van Wersch aarzelde. ‘Mijn kennis van Alphen was héél beperkt. Ik had een uitstekende baan en verdiende meer dan ik nu doe. Ik hoefde niet zo nodig.’
Hij vroeg twee weken bedenktijd. ‘Ik heb diep nagedacht en had eigenlijk willen zeggen: “Laat maar. Ik voel me zeer vereerd, maar nee.” Maar toen vroegen ze of ze met me mochten praten. Dat mag natuurlijk altijd. Het gesprek dat volgde, vond ik inspirerend, vooral omdat het bijzonder open was.’ Van Wersch stemde toe, en denkt dat hij indertijd de tweede PvdA’er in Nederland was die wethouder van buiten ging worden, ná Rob van Gijzel (die in Eindhoven, samen met de PvdA, uiteindelijk kansloos bleek).’

Meeslepend

Op 28 april 2002 werd Van Wersch benoemd. Hij is wethouder, van welzijn, zorg, kunst en cultuur. De PvdA bezet 4 van de 35 raadszetels. Gevraagd hoe hij het wethouderschap sindsdien beleeft, klinkt er een opgetogen ‘prima’. ‘Ik kan me bezig houden’, verklaart hij, ‘met veel maatschappelijk relevante problemen, allemaal problemen die me boeien. En je kunt er invloed op uitoefenen. Daarnaast vind ik het politieke proces meeslepend.’

Maar dit antwoord betreft toch eerder de baan, niet uw positie als politieke nieuwkomer? Verbaasd: ‘Dit is mijn opvatting. Als ik hetzelfde vind als een wethouder van binnen, is dat toch prima?’
Net als zijn collega in De Bilt ervaart Van Wersch zijn onbevooroordeelde instelling als een groot voordeel. ‘Met de problemen van de PvdA van vroeger heb ik niets te maken. Partijpolitieke problemen kun je als buitenstaander juist heel goed omzeilen, óf oplossen. Verder: ik had geen bijzondere kennis van de lokale gemeenschap, evenmin grote expertise op het terrein van mijn portefeuilles. Ik ben in beide opzichten geen expert, in tegenstelling tot mijn collega’s. Natuurlijk is dat een handicap. Maar blijkbaar meende de PvdA dat ik in staat zou zijn die handicap snel weg te werken. En dat is ook zo. De handicap is oplosbaar.’
Dat voordeel kan, zegt Van Wersch, in een nadeel verkeren. ‘Ik weet niet altijd hoe lokale problemen in elkaar zitten. Dat is lastig. Maar van alle terreinen die ik bestrijk, weet ik wel iets af. Ik was geen expert, maar ook geen onbeschreven blad. Wat ik als wethouder van buiten wel mis, is een historisch geheugen: Welke kwesties hebben hier allemaal gespeeld? Welke posities heeft de partij ingenomen in bepaalde dossiers? Ik heb wat dat betreft veel informatie nodig van de fractie. Nu is er zeker een goed samenspel, maar er speelt nóg een probleem: de fractie is óók nieuw. Van de vier raadsleden zijn er drie nieuwkomers. Zo goed en kwaad als het kan vult de fractie mij aan. Voor de rest is het: lezen, praten, kijken en wandelen in de stad.’

En het college? Behandelt dat u als volwaardige wethouder?
‘Ze nemen me serieus, en dat is ze maar geraden ook. In het begin hebben ze misschien met lichte verbijstering gekeken naar wie ik ben en wat ik allemaal niet wist. Zij noemden straten, en ik wist niet waar die lagen. Maar heel snel constateerde ik dat er in Alphen een verrassend collegiaal bestuur is. Daarmee kun je een hoop problemen ondervangen. De fractie neemt me evenzeer serieus. Reken maar, zíj hebben het besluit genomen mij wethouder te laten worden, dus ze moeten wel.’
De onbekendheid met Alphen en politieke rites zal hem maar kort parten spelen, denkt Van Wersch. ‘Naarmate je er langer zit, verdwijnt het belang daarvan. Ik leer snel’.

Speelbal

In de klaagzang over de nieuwe rol van de wethouder in het nieuwe, duale stelsel – we doen er minder toe en zijn meer speelbal – herkent Van Wersch zich ‘deels’. Zijn observatie is: ‘Ik signaleer dat de verhouding tussen college en raad sneller op scherp staat tegenwoordig, en dat de uitkomst van het politieke proces minder voorspelbaar is geworden. En ik moet nog maar zien dat dit bijdraagt aan grotere betrokkenheid van burgers bij de politiek. Toch was het daarom ooit te doen. Vroeger kon je in de coalitie of in het college aanvoelen hoe je een voorstel door de raad moest loodsen. Dat is nu onzekerder geworden. Wat hetzelfde is gebleven, is dat de raad nog steeds niet over hoofdlijnen praat, maar in details schiet. Nee, dat heeft geen bal te maken met het wethouderschap van buiten, maar met de positie van de wethouder in het dualisme.’
Eigener beweging voegt Van Wersch de waarneming toe dat het verleden van een wethouder van buiten in hoge mate bepalend is voor zijn succes. Met dat verleden bedoelt hij ‘kennis, ervaring en opleiding’. ‘In mijn geval is het belangrijk gebleken dat ik een brede maatschappelijke ervaring heb, ruime kennis van politieke processen en veel met overheden heb gewerkt. Dat alles komt mij nu van pas, stelt me in staat het wethouderschap uit te voeren. Dat is een belangrijke constatering. Als je namelijk zomaar iemand van buiten naar binnen haalt, loopt die persoon grote risico’s én de partij.’

Uit Lokaal Bestuur mei 2003
 
 

Terug naar Artikelen
Ga naar benoeming