Wetenschap
in Limburg
Belangrijke studie van
'n Heerlense huisdokter
Werk, dat internationaal belangstelling zal trekken
NEEMT het een gewest als Limburg, dat het moet stellen zonder hogeschool
of universiteit, eens kwalijk dat de wetenschap er niet floreert als elders.
Men kan er zich alleen over verbazen dat de liefde tot de wetenschap er
zo groot is, dat er onder het corps van hoogleraren en professoren van
de Nederlandse hogeronderwijsinstellingen toch telkens weer Limburgers
schuilen.
Begrijpt daarom onze verrassing toen wij dezer dagen in de boekhandel
een medisch wetenschappelijk werk ontdekten, dat getiteld was „Scurvy as
a skeletal disease", waarbij als schrijver vermeld stond de Heerlense arts
dr. H. J. van Wersch. Een beroemdheid als prof, dr. G. C. Herings heeft
er een voorwoord bij geschreven. Ergens in een bespreking zegt een ander
geleerde prof, dr. J. Prick, van dit in het Engels verschenen boek: „Scheurbuik
een skeletziekte: een novum, dat over de gehele wereld de aandacht zal
opeisen en een inzicht dat op een bijzonder mooie wijze wetenschappelijk
gefundeerd is." Het is, dunkt ons, geen geringe waardering die hier uitgedrukt
wordt en men zal ons moeilijk van chauvinisme kunnen beschuldigen als wij
deze wetenschappelijke studie van een eenvoudige, Heerlense huisdokter
hier meer in het licht stellen.
Het opzienbarende van dr. van Wersch' studie wordt in de titel van het
boek reeds uitgedrukt: scheurbuik een skeletziekte. Scheurbuik is in Nederland
bepaald geen onbekende ziekte. In vroegere eeuwen maakte een zeevarend
volk als het onze regelmatig kennis met deze ziekte, die zich uit in lusteloosheid,
moeheid, bloedingen van het tandvlees en tenslotte zelfs in bloedingen
in de huid en tanduitval. Het woord scheurbuik heeft - als u het nog niet
wist - niets met scheuren te maken; het is een verbastering van het Russische
woord „scorbuc". De ziekte is gewoonlijk 'n gevolg van het te weinig eten
van verse groente en aardappelen en kwam dus veel onder zeelui voor, die
maandenlang
op ingemaakt en gezouten voedsel moesten leven. In moderner tijden,
toen de voeding wetenschappelijker werd, kreeg scheurbuik natuurlijk geen
kans meer en werd een vergeten, maar daarom nog niet onbekende ziekte.
Intuïtie
In 1934 werd er in een Limburgs ziekenhuis 'n meisje verpleegd, dat
een afwijking aan het been had. Röntgenfoto's vertoonden om het bot
heen een vreemde schaduwplek, die de doktoren voor een raadsel stelde.
Men hield het er maar op dat het een sarcoom was, wat een net woord is
voor kankergezwel. Het meisje werd uit het ziekenhuis ontslagen, waarbij
men de mogelijkheid open hield om vroeger af later 't been af te zetten.
Dr. van Wersch, die een voorliefde voor botten had, want hij was pas
gepromoveeerd op een proefschrift over kalk- en fosforstoffen, vroeg of
hij de patiente over mocht nemen. Dat mocht, maar hij moest eerst wachten
tot het meisje terug was uit Lourdes, waar het genezing zocht. Hoe weinig
wist het meisje dat thuis de genezing op haar wachtte. Of was het hier
de genade, die de wetenschap een zetje aan het geven was?
Want het staat vast dat de intuïtie dr. van Wersch op weg geholpen
heeft toen hij tenslotte zijn diagnose ging stellen. Scheurbuik komt in
ons land alleen nog voor bij kinderen onder de 2 jaar. Geen rechtgeaard
arts denkt in dit land bij een meisje van 17 jaar nog aan scheurbuik. Toen
dr. van Wersch echter de röntgen-foto's zag en de beruchte schaduwplek
onderkende als een bloeding tussen bot en beenvlies. kreeg hij een vermoeden.
Hij begon het meisje te ondervragen en vond toen dat deze 17-jarige
boerendochter - denkt u er aan dat we in 1935 leefden en practisch niemand
van Vitamine C gehoord had, dat pas in 1934 ontdekt was - nooit aardappelen
of groente at. Zij had daar een afkeer van. De scheurbuik-diagnose kon
dus wel eens kloppen. Dr. v. Wersch ging dit meisje vitamine C toedienen
en de patient, die vier jaar lang met ondragelijke pijnen te bed gelegen
had en die bovendien gekweld werd door de angst vroeg of laat haar been
te moeten missen, stond na twee maanden behandeling weer naast het bed!
In 1944, toen er geen sinaasappelen en citroenen meer te krijgen waren - vruchten die veel vitamine C bevatten; het meisje at nog geen groente en aardappelen - kwamen de bloedingen weer terug. Weer hield men het voor een kankergezwel, maar weer bleek dat het scheurbuik was, die met vitamine C-preparaten vrij snel bedwongen werd.
Studie
TOT zover is het verhaal misschien interessant, maar eigenlijk
doodgewoon, Elke dokter stelt wel eens een diagnose, die hem invalt als
een genade. Dr. van Wersch is echter bij dit enkele feit niet stil blijven
staan. Hij heeft het tot voorwerp van een diepgaande studie gemaakt. Resultaat:
een boek waarvan prof. Heringa nu vandaag - terwijl de studie al in 1935
begon - zegt dat het behandelde onderwerp meer en meer actueel wordt. „Je
bent uit eigen intuitie voortrekker geweest op een druk begane weg. Je
hebt het onderwerp met een visionaire impuls geëntameerd."
Dr. van Wersch ging op het laboratorium van prof. Heringa in Amsterdam
de problemen, die hij bij de behandeling van het meisje was tegengekomen,
bij proefdieren nader onderzoeken. Dat betekende tussen de jaren 1947 en
1950 een eindeloos heen en weer trekken naar de hoofdstad En dat alles
tussen zijn drukke praktijk als huisarts door.
Maar zo belangrijk bleken al gauw zijn onderzoekingen te zijn dat het
Instituut voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek hem tegemoet kwam met
een subsidie om de uitgave van zijn werk te stimuleren,
„Inbeelding"
DE vrucht van die studie - een boekwerk van 365 bladzijden - ligt nu
op tafel. Vergeeft het ons, leek zijnde, dat wij deze medische stof niet
kunnen lezen als een roman. Wij vinden het interessant als de schrijver
de man uit 1625 in het zonnetje zet, die vermeldt dat bij het beleg van
Breda de soldaten van scheurbuik genezen zouden zijn door het eten van
kiemende zaden en daar ironisch aan toevoegt: „Zie wat inbeelding vermag!".
De arme man wist natuurlijk niet dat kiemende zaden veel vitamine C bevatten
en dus een uitstekend geneesmiddel tegen scheurbuik waren.
Dr. van Wersch heeft dit vitamine C-gehalte van kiemende erwten zelf
in zijn tuin onderzocht. Hij wilde weten of bij toename van het bladgroen
ook het vitamine C-gehalte steeg. Hierbij bleek dat de toename zelfs ongelijkwaardig
was, inzoverre dat het vitamine C-gehalte sneller steeg dan het bladgroen.
Op zichzelf nam hij proeven - bedenkt nogmaals dat de kennis omtrent vitamine
C pas op gang kwam - hoeveel vitamine C een mens nodig heeft. Daartoe stelde
hij zich wekenlang op een vitamine C-loos diëet van brood, kaas, eieren
en boter. Een mens produceert zelf - evenmin als een marmot of een aap
- vitamine C- andere dieren doen dit wel. Door vergelijking met de dagen
vóór het diëet kon hij dus nagaan hoeveel vitamine C
een mens nodig heeft.
Dit zijn enige aspecten uit het onderzoek die voor de leek interessant
zijn. Men doet daarmee het boek van dr. Van Wersch natuurlijk onrecht aan.
Daarom geven we hiernaast voor de geïnteresseerde lezer de kern van
't werk weer.
KORTE INHOUD
De inhoud van dr Van Wersch' studie „Scurvy as a skeletal disease"
waar van dr Kroon, conservator aan het Histologisch Laboratorium van de
Gem. Universiteit te Amsterdam verklaart dat het een stimulans en een springplank
is voor verder onderzoek, laat zich als volgt samenvatten:
Bij histochemisch onderzoek vond de schrijver al spoedig dat het glycogeen
zich in bepaalde cellen van het been ophoopt en dat de locatisatie van
het phosphatase enzym was afgenomen. Deze vondsten, n.l. ophoping van glycogeen
en de verminderde werking van het phosphatase enzym bij scorbutische marmotten,
werden in onderling verband gezien en werden zodoen de het uitgangspunt
van uitge- breide onderzoekingen. Niet alleen histochemisch, maar ook biochemisch
werd de hoeveelheid glycogeen en de activiteit van het phosphatase enzym
bepaald.
Daar een vermoeden bestond dat men bij ratten, die men op een vitamine
D-vrij voedsel rachitis kan bezorgen, de tegengestelde bevindingen kon
verwachten, werden op rachitische ratten dezelfde onder- zoekingsmethoden
toegepast. Samengevat bleek dat er in het been een glycolytisch systeem
aanwezig is, waarbij scheurbuik en rachitis gemeen hebben, dat het glycogeen
in de botten verhoogd wordt door de verhoogde werking van het phosphorylase
enzym. Gaat men nu in een broedstof na, waar men het glycogeen tot glucose
(suiker) kan afbreken, dan blijkt dat er bij scheurbuik maar weinig glucose
gevormd wordt door de verminderde werking van het phosphatase enzym. Bij
rachitis blijkt het tegengestelde het geval te zijn. Hier wordt door de
vermeerderde werking van het phosphatase enzym meer glucose gevormd. De
schrijver komt dan tot de opvatting dat scheurbuik en rachitis twee tegengestelde
ziekten zijn, die berusten op een stoornis in de functie van de osteoblasten
(cellen die het been vormen), die leidt tot een stoornis in het phosphorylase-phosphatase
systeem met als gevolg dat er een stoornis optreedt in de glycogeenstofwisseling,
die dan tenslotte weer tot gevolg heeft een stoornis in de aanmaak en afbraak
van been; bij scheurbuik een verlies van been (gemakkelijk breken van de
botten), bij rachitis een vermeerdering van been, dat echter het vermogen
mist om kalkzouten op te nemen en zodoende steeds week blijft (kromme benen
bij kinderen met rachitis).
Daarnaast vond de schrijver nog dat er ook in de witte bloedlichaampjes
in het beenmerg van scorbutische marmotten waarschijnlijk een glycolytisch
systeem aanwezig is, dat de sleutel vormt tot verder onderzoek bij bloedziekten.
Limburgsch Dagblad 18 november 1954
PERSONALIA
Dr. H. J.van Wersch 40 jaren arts.-Men zal wel van mij willen aanvaarden,
dat VAN WERSCH een goed huisarts is: zijn enorme praktijk op Heerlerbaan
kon hij bij het voortschrijden van zijn jaren slechts met moeite kleiner
maken. Trad hij aan het ziekbed, dan trad het Vertrouwen binnen en wel
vooral door zijn ernst en zorgvuldigheid bij het stellen van de diagnose.
Het zeer bijzondere, dat VAN WERSCH kenmerkt, is zijn zin voor wetenschap,
"La science pour la science", niet vreemd naast zijn zin voor het vioolspel,
samen met zijn kinderen. Zijn huis getuigt van bijzondere smaak..
VAN WERSCH werd geboren niet ver van zijn praktijk, in Simpelveld. Hij studeerde in Utrecht en Amsterdam, en na een korte periode als assistent op de interne afdeling van het ziekenhuis St. Joannes de Deo vestigde hij zich in de buurtschap Heerlerbaan te Heerlen, in 1927. Met een ijzeren wilskracht zette hij zich aan de bewerking van een proefschrift, voort komend uit gevallen in de praktijk, en handelend over problemen betreffende de kalk- en de fosforwisseling. Het biochemisch onderzoek verrichtte hij deels thuis, deels bij Prof. SNAPPER te Amsterdam. In 1935 promoveerde hij bij SNAPPER op het proefschrift Over tetanie en hare behandeling. Bij die gelegenheid zijn door promotor en anderen woorden van hoge lof gesproken. Hierna verschenen onderzoekingen over "Vitamine- A-stofwisseling bij aandoeningen van de schildklier", "Het verbruik van Vitamine C door de mens" en over "Skeletafwijkingen bij scheurbuik". Daarna verrichtte hij thuis fraaie en originele onderzoekingen over het ontstaan van vitamine C in granen, en over het verband tussen vitamine C in assimilerende planten en chlorofyl.
Een hoogtepunt in zijn wetenschappelijk werk bereikte VAN WERSCH toen
hij bij een patiënte ontdekte, dat zij aan de ziekte van Barlow leed.
Intussen was de tweede wereldoorlog begonnen en was VAN WERSCH inmiddels
zeer bevriend geworden met de hoogleraren FORMIJNE, VAN EEKELEN, KROON
en HERINGA. Hij stelde als secretaris van de commissie voor de artsencursus
zijn huis open voor het houden van wetenschappelijke voordrachten. In 1940
werd VAN WERSCH lid van het Genootschap ter Bevordering van Natuur-, Genees-
en Heelkunde te Amsterdam.
In 1954 verscheen van zijn hand een boek van academisch formaat: Scurvy
as a skeletal disease, met een uiterst waarderend voorwoord van Prof. HERINGA.
In dit werk werden vergelijkingen gemaakt met rachitis en onderzoekingen
over alkalische fosfatase geïntroduceerd.
VAN WERSCH zette daarna zijn onderzoekingen op het histologisch laboratorium te Amsterdam voort, en mocht daar de medewerking hebben van onderzoekers als KROON, NEUMANN,WISSE en RUYTER. Er werd hem namens T.N.O. een ruim bedrag ter beschikking gesteld voor werk over alkalische fosfatase, uitgaande van proeven op ratten, waarbij de galgang werd onderbonden en een galfistel werd aangelegd. Het bleek hem, dat de hierop volgende vermeerdering van de alkalische fosfatase in het serum afkomstig is uit het bindweefsel van de driehoekjes van Kiernan en niet uit de levercellen. Een publikatie staat op stapel, waarin hij het vermoeden uitspreekt, dat zulks ook bij de mens het geval is, en de alkalische fosfatase waarschijnlijk van fibroblastische origine is, zoals dit ook bij verschillende beenziekten vermoed wordt.
Op 29 juni is het feest op Heerlerbaan : "dr Dokter is veertig jaar
bi os" (Limburgs voor: de dokter is 40 jaar bij ons). Het is te hopen,
dat VAN WERSCH die onlangs een chirurgische ingreep ondergaan heeft, dan
wat meer op krachten is want in Limburg pleegt men bij dergelijke gelegenheden
niet kleintjes voor den dag te komen.
VAN WERSCH, destijds kreeg ik een presentexemplaar van je prachtige
boek Scurvy as a skeletal disease. Voorin schreef je: "uit vriendschap".
Ik ben uitermate trots op deze vriendschap! Moge er nog veel goeds weg
gelegd zijn voor jou, je trouwe vrouw en je kinderen.
bron: Ned. Tijdschrift Geneeskunde, 111, nr 25, blz 1147
Naar Artikelen |
Naar zijn boek |
Naar zijn overlijden |
|